Geschiedenis van het instrument
Als het beheren van een unieke collectie muziekinstrumenten één van je doelstellingen is, ligt het voor de hand dat er een groot raakvlak bestaat met een museum dat een vergelijkbare doelstelling heeft. Het Kunstmuseum Den Haag (voorheen Haags Gemeentemuseum) heeft in haar collectie ook een zeer bijzondere verzameling instrumenten, waaronder een aantal strijkinstrumenten van de belangrijkste oud-Hollandse bouwers. Maar het raakvlak met Het Muziekinstrumentenfonds blijkt helemaal niet zo groot, want de strijkinstrumenten uit het museum worden al decennia niet meer tentoongesteld en slechts een enkel instrument heeft in al die jaren nog een keer mogen klinken.
Wij van Het Muziekinstrumentenfonds huiveren natuurlijk bij die gedachte, evenals elke musicus en vioolbouwer die weet hoe belangrijk het is dat een instrument bespeeld blijft, om de klankkwaliteiten te behouden. Maar de beheertaak van het museum is anders; daar is men vooral verantwoordelijk voor het behoud en het conserveren in de zo oorspronkelijk mogelijke staat. Die taak is lastig te verenigen met het laten bespelen van de instrumenten, laat staan het meegeven aan een musicus. Die taak is ook belangrijk en moet gerespecteerd worden, want door een aantal unieke instrumenten heel goed te beschermen tegen welke invloed van buitenaf dan ook, zullen er altijd exemplaren bewaard blijven voor het nageslacht.
De vraag die wij ons echter stelden, is of het te rechtvaardigen viel dat ook de minder unieke exemplaren het daglicht nooit meer zouden zien. Op initiatief van het fonds zijn er begin 2011 gesprekken gevoerd. Wethouder cultuur van Den Haag, Marjolein de Jong, maakte zich daarbij sterk voor het onderzoeken van de mogelijkheid om toch een klein aantal van de instrumenten nieuw leven in te blazen door ze uit de kasten te halen en te laten gebruiken waarvoor ze ooit zijn gemaakt, namelijk om te klinken in de handen van een musicus.
Het Muziekinstrumentenfonds heeft in 2012 het bestuur van het Kunstmuseum Den Haag kunnen overtuigen om de zorg van drie bijzondere instrumenten over te mogen nemen. Het gaat om twee violen van Johannes Theodorus Cuypers (Den Haag, 1768 en 1786) en een altviool van Jean Baptiste Levèbvre (Amsterdam, 1762). Met deze bruikleen van het Kunstmuseum aan het fonds is een eerste stap gezet in een samenwerking met het museum die, als het aan ons ligt, in de toekomst zal worden uitgebreid.
In 2012 is de viool in bruikleen gegeven aan Lonneke van Straalen. Sinds eind 2024 is de viool in handen van Tamara Korkadze.
Wij van Het Muziekinstrumentenfonds huiveren natuurlijk bij die gedachte, evenals elke musicus en vioolbouwer die weet hoe belangrijk het is dat een instrument bespeeld blijft, om de klankkwaliteiten te behouden. Maar de beheertaak van het museum is anders; daar is men vooral verantwoordelijk voor het behoud en het conserveren in de zo oorspronkelijk mogelijke staat. Die taak is lastig te verenigen met het laten bespelen van de instrumenten, laat staan het meegeven aan een musicus. Die taak is ook belangrijk en moet gerespecteerd worden, want door een aantal unieke instrumenten heel goed te beschermen tegen welke invloed van buitenaf dan ook, zullen er altijd exemplaren bewaard blijven voor het nageslacht.
De vraag die wij ons echter stelden, is of het te rechtvaardigen viel dat ook de minder unieke exemplaren het daglicht nooit meer zouden zien. Op initiatief van het fonds zijn er begin 2011 gesprekken gevoerd. Wethouder cultuur van Den Haag, Marjolein de Jong, maakte zich daarbij sterk voor het onderzoeken van de mogelijkheid om toch een klein aantal van de instrumenten nieuw leven in te blazen door ze uit de kasten te halen en te laten gebruiken waarvoor ze ooit zijn gemaakt, namelijk om te klinken in de handen van een musicus.
Het Muziekinstrumentenfonds heeft in 2012 het bestuur van het Kunstmuseum Den Haag kunnen overtuigen om de zorg van drie bijzondere instrumenten over te mogen nemen. Het gaat om twee violen van Johannes Theodorus Cuypers (Den Haag, 1768 en 1786) en een altviool van Jean Baptiste Levèbvre (Amsterdam, 1762). Met deze bruikleen van het Kunstmuseum aan het fonds is een eerste stap gezet in een samenwerking met het museum die, als het aan ons ligt, in de toekomst zal worden uitgebreid.
In 2012 is de viool in bruikleen gegeven aan Lonneke van Straalen. Sinds eind 2024 is de viool in handen van Tamara Korkadze.
Over de bouwer Johannes Theodorus Cuypers
Nederland kende twee periodes van bloei in de vioolbouw. De eerste was in Amsterdam van 1650 tot 1728, de tweede speelde zich grotendeels af in Den Haag, vanaf 1760 tot 1840. Deze piek had voornamelijk te maken met de familie Cuypers,...

