
cello
Victor Garcia Garcia

*1724 , Dornick †1808 , Den Haag
Johannes Theodorus Cuypers komt ter wereld in 1724, in het Duitse dorpje Dornick. Zijn ouders, Hermanus Kuppers en Jenneke Ross krijgen daarna nog twee kinderen, maar meer over het leven van de familie in Dornick is niet bekend. Daarna blijft het lang stil tot 24 januari 1752, wanneer Theodorus het burgerrecht verkrijgt in Den Haag.
De familienaam Kuppers is dan al ‘vernederlandst’ naar Cuypers. Er zijn vele theorieën over, maar toch weten we niet waar hij het vak leerde, zoals het geval is met vele Nederlandse vioolbouwers. In 1761 trouwt Theodorus met Anna Maria Borneman en vanaf dat jaar kennen wij ook eerste instrumenten van zijn hand. Hij en zijn vrouw krijgen maar liefst negen kinderen, waarvan twee hetzelfde ambacht zullen beoefenen als hun vader: Franciscus en Bernardus. Theodorus zal in zijn leven een aantal keer verhuizen; alle adressen bevinden zich rond het Binnenhof, toch lijkt het atelier al die tijd te zijn gevestigd op de Kalvermarkt 2. Naast verschillende maten violen zijn er in de werkplaats van Cuypers altviolen, cello’s, gitaren, citers, mandolines en pochetten gemaakt. Zo’n grote productie kon Johannes Theodorus onmogelijk in zijn eentje realiseren, dus zijn verhaal valt dan ook niet te vertellen zonder zijn beide zonen te noemen.
Ondanks vermeldingen in sommige bronnen, is er uit de jaren 50 van de 18e eeuw geen werk bekend; de vroegste instrumenten die we kennen stammen uit 1761. Tot 1770 gebruikt Theodorus gedrukte etiketten, maar daarna zien we de bekende handgeschreven etiketten, waar hij vanaf 1793 ook zijn leeftijd bij vermeldt. Waar Theodorus begint met een vrij persoonlijk model met ranke f-gaten en een elegante verfijnde krul, volgt hij rond 1775 met een model dat hij tot het einde van zijn leven zal gebruiken: een combinatie van een Stradivari outline, Guarneri geïnspireerde f-gaten, een lichte amberkleurige alcohollak en een zeer persoonlijke krul met een staande ovale vorm in plaats van een cirkelvormige voluut. Ook het volle randwerk, de hoeken met een spitste inlegverstek en de vaak bleke ‘zwarte’ spanen van de inleg, zijn zeer persoonlijk en duidelijk herkenbaar. In zijn krullen zijn vaak nog de zaagsporen en de lijn van zijn kruishout te zien.
Het type lak op de instrumenten is zeer typisch voor die tijd en zie je terug op het werk van vele vioolbouwers, met name de Franse bouwers zoals Guersan en Salomon, maar ook bij Franse bouwers die zich later in Nederland vestigen: Benoît-Joseph Boussu en J.B. Lefèbvre. Een enkele keer kiest Theodorus ervoor om zijn instrumenten een meer bruine tint te geven. De herkomst van het hout is niet bekend, wel is het opvallend vaak het hetzelfde gevlamd, wat doet vermoeden dan hij een grote voorraad had, en ook zijn de bovenbladen regelmatig -tegen de traditie in- uit één stuk.
Omdat zijn werk vrijwel onveranderd blijft, is het lastig om de kenmerken van zijn zoons in het werk terug te zien. Dit neemt niet weg dat zij een belangrijke rol moeten hebben gehad tijdens het produceren van de instrumenten. Pas in de laatste jaren van het leven van Theodorus is de hand van de jongste zoon Bernardus duidelijk te herkennen in enkele krullen en het randwerk. Krullen worden dan wat forser en de hoeken krijgen een typerend vlakke en schuine afwerking. De rol van Franciscus blijft nog altijd een mysterie, aangezien hij 40 jaar in Amsterdam heeft gewoond, dus op flinke afstand van de Cuypers werkplaats. Bewijzen voor halffabricaten van zijn hand die naar Den Haag zouden zijn verzonden voor verdere afwerking, zijn nooit hardgemaakt. Wel zijn er volledig gebouwde instrumenten van zijn hand bekend uit de tijd dat zijn vader nog leefde en die dus ook zijn gesigneerd onder diens naam. Deze instrumenten zijn vaak individueler qua model, met meer uitgesproken randen en hoeken met een verfijnde krul. De individuele stijl van Franciscus komt pas echt tot uiting na het overlijden van zijn vader, wanneer hij de exemplaren gaat signeren onder zijn eigen naam en met Amsterdam als woonplaats.
D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam.
Bolink J, Giskes J, Lindeman F, Stam S,, 1999, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Amsterdam.
Stadsarchief van Amsterdam, geraadpleegd in 2025





























