
viool
Reo Pramana

*1875 , Adorf (Duitsland) †1948 , Amsterdam
Nadat hij die had afgesloten met zijn meesterproef kreeg hij een baan bij Heinrich Th. Heberlein. Heberlein stond bekend als een meester in het gebruik van verschillende lakken en technieken die de kopieën van zijn Stradivarius modellen een prachtig verweerd uiterlijk gaven. Het hout dat hij gebruikte was onverdeeld van topkwaliteit. Voor veel van zijn instrumenten ontving hij hoge onderscheidingen. Ook werd Heberlein algemeen gezien als een groot kenner op het gebied van akoestiek in strijkinstrumenten. Van deze vioolbouwer werd Paul Max de assistent.
Begin 1899 vertrok Paul Max Möller naar Louis Lowendahl in Leipzig. Daar trof hij iets heel anders aan dan waarop hij gehoopt had; geen vioolbouwatelier in de traditionele zin van het woord, maar een werkplaats waar op bijna industriële manier instrumenten gemaakt werden. Hij hield het er al snel voor gezien en zocht een interessanter atelier. Dat vond hij bij Karel van der Meer in Amsterdam; bij hem werkte hij de laatste acht maanden van dat jaar.
Eind 1899 besloot hij om bij Max Möckel in Sint-Petersburg te gaan werken. Hoewel Max Möckel daar nog maar kort zat, stond hij er al snel bekend als een goede bouwer en reparateur. Door zijn kennis en stimulerende manier van doen had hij een grote invloed op de medewerkers in zijn eigen atelier en op andere vioolbouwers daarbuiten. In de periode dat Paul Max bij hem werkte lukte het Max Möckel om samen met de chemicus Golonin een lak te ontwikkelen die veel leek op de oude Italiaanse vioollak.
Een serieuze vioolbouwtraditie hadden de Russen niet. Kennis van buitenlandse bouwers was daarom hard nodig. In Moskou zaten veel Franse bouwers en in Sint-Petersburg domineerden er sinds 1876 de Duitse vioolbouwers. Die woonden en werkten er dicht bij elkaar in de buurt. De Duitse bouwers waren vrijwel allemaal opgeleid in Markneukirchen, net als Paul Max Möller. Zowel binnen als buiten de ateliers van Sint-Petersburg troffen de Duitse bouwers elkaar en wisselden kennis uit.
Het Sint-Petersburg waar Paul Max in terecht kwam, kende een bloeiend muziekleven. Veel mensen bespeelden een instrument en er werden talloze uitvoeringen gegeven, op hoogtijdagen wel 30 per avond. Van overal uit Europa kwamen violisten om aan het conservatorium van Sint-Petersburg te studeren. In het Rimsky-Korsakov Conservatorium doceerde van 1868 tot 1917 de iconische vioolpedagoog Leopold Auer bij wie grote violisten als Jascha Heifetz, Nathan Milstein en Mischa Elman studeerden.
Maar er was nog meer dat Sint-Petersburg zo boeiend maakte; de aristocratie van de stad bezat vele kostbare Franse en Italiaanse instrumenten. Zo hadden de nakomelingen van generaal Lvov niet alleen een muziekbibliotheek van formidabele afmetingen van hem geërfd, maar ook een grote collectie violen en cello’s van onder andere Amati, Guarneri, Maggini, Vuillaume en Stradivarius. Bouwers die in de voorgaande jaren in Sint-Petersburg zaten, zoals Moritz Paulus, Anton Jaudt en Ludwig Otto waren overleden. Voor reparaties en onderhoud aan deze oude instrumenten waren de eigenaren nu in belangrijke mate aangewezen op nieuwkomers zoals Max Möckel. In het atelier heeft Paul Max Möller deze instrumenten ongetwijfeld in zijn handen gehad en van nabij kunnen bestuderen; wat zonder meer heeft bijgedragen aan zijn kennis over Italiaanse meesterinstrumenten. Alles dat hij had geleerd in deze levendige en stimulerende omgeving zou Paul Max Möller vier jaar later meenemen naar Amsterdam.
In 1904 keerde hij terug naar Nederland om opnieuw bij Karel van der Meer in Amsterdam aan de slag te gaan. Karel van der Meer was een voormalig violist van het Concertgebouworkest en goed ingevoerd in de internationale wereld van de muziek. Die loopbaan verruilde hij in 1892 voor die van vioolbouwer. Na zijn opleiding werd hij een gewaardeerde bouwer met een eigen atelier dat vrijwel naast het concertgebouw zat. Hij had niet alleen een goed zakelijk gevoel, maar ontwikkelde zich tot iemand die zijn steeds groter wordend atelier op bijzonder stimulerende wijze leidde. Daarmee wist hij getalenteerde vioolbouwers en strijkstokkenmakers uit het buitenland naar Amsterdam te halen, zoals Friedrich Ernst Schmidt, Joseph Vedral sr., Johan Stüber en Eugene Eberle sr., Kraus en August Toussaint. Gezien de grote diversiteit van nieuwe instrumenten en strijkstokken die zijn atelier verlieten moet Karel van der Meer zijn medewerkers een grote mate van vrijheid hebben toegekend. In dit voor Nederland zo belangrijke atelier werkte Paul Max Möller zich op tot chef d’atelier.
In 1908 trouwde Paul Max met Christina Henrietta Weerts met wie hij 1913 een eigen atelier begon op de Leidsegracht 63. Na een verhuizing naar de P.C. Hooftstraat 34 zou hij zich in 1925 definitief vestigen waar ook de volgende twee generaties Möller zouden werken; de Willemsparkweg 15. Paul Max bouwde niet alleen voortreffelijke instrumenten, maar hij werd ook gezien als een groot kenner van oude instrumenten.
Tussen 1913 en 1918 bouwde Paul Max voornamelijk nieuwe instrumenten. Die maakte hij zorgvuldig en naar voorbeeld van de grote Italiaanse meesters. Uit die tijd zijn ook zijn viola da gamba’s en viola d’amore’s die een opvallend fijn vrouwenkopje of dat van een engel hebben. De lak die hij voor zijn instrumenten gebruikte was nog gebaseerd op die hij bij Möckel had leren maken. Later zou hij zelf een lak ontwikkelen die hij op een bijzondere manier opbracht. Deze lak was vrij dik, donkerrood en neigde tot cracqueleren, maar was prachtig diep van kleur.
Na 1918 legde hij zich toe op het verzamelen van oude instrumenten en breidde hij zijn kennis daar over uit. Daar had hij op zijn reizen door Europa al een aantal van meegebracht. Samen met de instrumenten die hij op zijn reizen tussen 1930 en 1935 zou verzamelen werd het een van de meest interessante collecties in Nederland.
Tussen 1925 en 1929 concentreerde hij zich opnieuw op het maken van nieuwe instrumenten. De handel in oude violen kwam toen op de tweede plaats.
Ook na 1935 kwam voor Paul Max het maken van nieuwe instrumenten weer op de eerste plaats. In deze laatste periode maakte hij, naast zo’n 250 violen, cello’s, enkele viola da gamba’s en viola d’amore’s, zijn bekende groot-model altviolen die erg geliefd waren. Vanwege het formaat hadden de alten een zo diepe klank dat die naar een cello neigde. Er gaat een mooi verhaal dat niet weerlegd, maar ook niet bevestigd kan worden over de achterbladen van een aantal grote altviolen die hij direct na de tweede wereldoorlog maakte. Dat hout zou afkomstig zijn van de eeuwenoude esdoorn die in de tuin van het Rijksmuseum had gestaan. Door de oorlog was er schaarste aan van alles en de gemeente besloot om het hout van deze boom aan Paul Max Möller te schenken. Zijn instrumenten waren geliefd bij leden van het concertgebouw orkest; in de strijkersgroep werd na de oorlog op zeven alten, enkele violen en een cello van zijn hand gespeeld, later breidde dat aantal alten zich verder uit tot negen. Hoewel de klank van de groot-formaat altviolen van Paul Max Möller uitzonderlijk mooi was, verdwenen zij op den duur toch van het podium. Deze instrumenten werden door veel altviolisten als te lastig te bespelen ervaren; niet iedereen had voldoende lange armen en grote handen.
In het atelier van Paul Max Möller werd ook een grote hoeveelheid strijkstokken gemaakt. Vóór 1945 waren het veelal de Duitse modellen zoals die van Paul Weidhaas, na de oorlog kwamen op Franse leest geschoeide strijkstokken veel voor. Bekend zijn de strijkstokken met een afgeronde slof zonder oog. Hij stempelde deze strijkstokken met ‘M. Möller’ of ‘M Möller Amsterdam’. De strijkstokken uit zijn atelier die gestempeld waren met ‘Meunier’ of ‘Meunier à Paris’ hadden meestal wel een zgn. ‘Parijs oog’.
Over Paul Max Möller schreef Enel in Parijs; “..sinds Barbé, Marchant en Humbert, heb ik nog nooit zo’n zekere, soepele en elegante hand van bouwen gezien, evenmin als zo’n hoge opvatting van dienstbaarheid aan de kunst van de vioolbouw.”
Paul Max Möller legde de basis voor een atelier dat zou uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande voor vioolbouw en expertise in Europa. In 1935 kwam zijn zoon Guillaume Max bij hem werken. Zijn rijke kennis en ervaring gingen over van vader op zoon. Met hem schreef hij in 1939 het boek ‘Italiaanse Vioolbouw’. Samen met Karel van der Meer heeft Paul Max voor de opleving van de vioolbouw in Nederland gezorgd.
Het gezag van de Möllers zou zo groot blijken dat door de jaren heen hun certificaten van echtheid ten behoeve van minder oprechte bedoelingen veelvuldig nagemaakt zijn. Het archief van de Möllers bevat tientallen van deze vervalste certificaten en dat breidt nog steeds uit.
Bij hem werkten onder anderen Erhard Uebel, Jan Santman, en Karl Rutz en de strijkstokkenmakers Jean-Claude Ouchard, G. Waehneldt, Robert Penzel en kort Daniel ter Berg.
Möller M, 1955, The Violin-makers of the Low Countries, by Max Möller, Amsterdam.
Lim A. , Z.j., Die Entwicklung und Etablierung einer musikalischer Kultur in Sankt Petersburg, Berlin.
Dilworht J., 2012, The Brompton book of violin and bowmakers, London.
Onder redactie van Giskes J. En Hooijen E., 2000, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Zutphen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Henley W. , 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications.
corilon.com; Noteworthy families of Markneukirchen violin makers. Bezocht; 2019.
Onder redactie van de KNTV, 1987, Vioolbouw in Nederland, zp.















