Doorgaan naar content
bouwer

Guido Pascoli

*1905 , Itobi      †1986 , São Paulo

Het laatste kwart van de 19e eeuw leden veel Italianen onder een slepende economische crisis. Armoede en gebrek aan banen was voor veel van hen reden om te emigreren. Na Argentinië was Brazilië de meest gewilde bestemming bij de Italiaanse emigranten. De ouders van Guido Pascoli vertrokken naar Brazilië in een periode waarin daar jaarlijks zo’n 10.000 Italianen naartoe trokken. Van de bijna één miljoen Italianen die naar Brazilië waren geëmigreerd, vestigde zich 70% uiteindelijk in São Paulo.
Werkplaats(en)
São Paulo, 1922-1928
Rio de Janeiro, 1928- ±1940
São Paulo, ±1952- ±1963
Brasilia, ±1963-1970
São Paulo, 1970-1986
Europese immigranten poseren voor een foto op de centrale binnenplaats van de Hospedaria de Imigrantes de São Paulo, ca. 1890

Europese immigranten poseren voor een foto op de centrale binnenplaats van de Hospedaria de Imigrantes de São Paulo, ca. 1890

Zoon van Immigranten

De ouders van Guido arriveerden rond 1895 in Brazilië en werden opgevangen in het Hospedaria de Imigrantes van São Paulo dat sinds 1887 tijdelijk onderdak bood aan immigranten. Pietro Pascoli werd metselaar in São Paulo, leerde zijn vrouw kennen en samen verhuisden ze naar het dorp Itobi. Daar werden hun 5 kinderen geboren: Benvenuto (1902) , Americo, Guido (1905), Valdomiro en Rosa. Een deel van hun kindertijd brachten de broers Pascoli in Itobi door. Het gezin verhuisde naar Poços de Caldas waar ze door de cellist en klarinettist Guido Rocchi voor het eerst in contact kwamen met de vioolbouw.

Guido Rocchi speelde voor Guido en zijn broer een grote rol. Hij speelde een belangrijke rol in de Braziliaanse muziekwereld. Rocchi was naar Brazilië gekomen met een Italiaans operagezelschap en er gebleven. In São Paulo gaf hij les aan het conservatorium en had zichzelf het bouwen van strijkinstrumenten geleerd.

In 1915 begon Guido’s oudste broer Benvenuto instrumenten voor hem te repareren. Guido volgde zijn broer en beiden kregen les van Rocchi; Benvenuto speelde klarinet en Guido kreeg vioolles. Beide broers repareerden de instrumenten van de grote casino- en theaterorkesten van Poços de Caldas. Gezien het aantal Italiaanse musici dat naar de streek was getrokken, zullen dat overwegend instrumenten van Italiaanse of Franse origine zijn geweest.

Meubelmaker en vioolbouwer in São Paulo

Onder leiding van Rocchi groeide de vaardigheid van Guido en zijn broer. In een interview noemt Guido 1922 als eerste jaar waarin hij eigenhandig een viool bouwde. Benvenuto verhuisde ergens in de begin 20-er jaren naar São Paulo. Ook dit keer volgde Guido, die toen 17 was, hem korte tijd later. Overdag werkte hij als meubelmaker en ’s avonds als vioolbouwer. In 1922 openden de broers hun eigen zaak, de ’Casa di Musica e Liuteria Cremona’. Benvenuto werd in 1927 eigenaar van een andere zaak in muziekinstrumenten. Op hetzelfde adres stond ook Salvatore Vitale ingeschreven. De broers werkten vermoedelijk eerst voor deze bouwer en namen de zaak later van hem over.

São Paulo kende een grote muziekscene met veel theaters, bioscopen en muziekzalen. In het São José-theater werden uitvoeringen gegeven door rondtrekkende muziekgezelschappen die de stad bezochten. Maar eerder al stond São Paulo op de tournee-agenda van grote Italiaanse gezelschappen. De theaters boden een enorm aantal voorstellingen. Het publiek dat deze voorstellingen bezocht was een nieuwe kosmopolitische klasse die voor een groot deel uit Italianen bestond.

De vraag naar muziekinstrumenten was dan ook groot. In São Paulo was zowel de handel als de productie van strijkinstrumenten voornamelijk het werk van Italiaanse immigranten. Hun bedrijfjes boden werk aan andere Italiaanse immigranten. Italiaanse tijdgenoot Fritelli was vindingrijk, succesvol en daardoor werd hij al snel een rolmodel voor jongere vioolbouwers zoals de gebroeders Pascoli.

Rio de Janeiro en zijn eerste eigen zaak

Na een jaar verhuisde Benvenuto naar Rio de Janeiro. Die stad werd in de jaren 1920 en '30 als een hoogtepunt van muzikale levendigheid beschouwd. Benvenuto ging er een samenwerking aan met Amos Bartolini, een Italiaanse musicus die les gaf in Rio’s operagebouw (Theatro Municipal). Samen werden ze de eigenaars van “Casa Santa Cecilia". Guido was inmiddels getrouwd en kwam in 1928 ook naar Rio. Eerst werkte hij korte tijd bij zijn broer, later werd hij zelfstandig vioolbouwer. In de loop van de jaren ’30 bouwde Guido in opdracht van beroepsmusici strijkinstrumenten van uitstekende kwaliteit.

Verwijdering tussen Guido en Benvenuto

In 1937 ontstond er een verwijdering tussen Guido en Benvenuto die hen, naarmate ze ouder werden, verder uiteen dreef. Benvenuto was erg geporteerd van het Italiaanse nationalisme en bouwde ter ere van de fascistische Italiaanse leider Benito Mussolini een viool die hij ‘Il Duce’ noemde en stuurde die naar de Accademia di Santa Cecilia in Rome. Ook kwamen er vele vervalsingen van zijn hand. Guido daarentegen richtte zich helemaal op de Braziliaanse vioolbouw en stichtte een vioolbouwschool.

Nationalisme; oude en nieuwe Braziliaanse invloeden

Tussen 1940 en 1948 is er niets van hem bekend. Hij bouwde in 1948 nog een viool, maar daarna, tot 1954 bouwde hij vrijwel geen enkel instrument meer. Maar in 1955 keerde hij terug naar São Paulo en begon zijn meest productieve en creatieve periode als vioolbouwer.

Altvioolmodel 'Brasiliano', collectie Muziekinstrumentenfonds

Die creativiteit uitte zich in nieuwe ontwerpen voor strijkinstrumenten. Brazilië groeide in die tijd enorm op sociaal en cultureel gebied. Er kwam een golf van nationaal bewustzijn die tot uiting kwam in een geheel eigen, vaak op de Braziliaanse traditie gebaseerde muziekstijl en vormentaal. In die jaren ontwierp Guido twee modellen die daar een uiting van waren: de Marajoara-viool en de Brasiliano. De eerste was gebaseerd op motieven die waren gevonden bij opgravingen van vroege Braziliaanse stammen en die bij kunstenaars razend populair waren; de Brasiliano baseerde Guido op de lijnen van de revolutionaire nieuwe stad Brasilia. Daarvan gingen de ontwerpen al in de late 50-er jaren rond. In een artikel dat hij in 1963 schreef, legde hij uit wat hem dreef om zijn model door een stadsontwerp te laten beïnvloeden.

Geen van beide modellen waren bij musici erg geliefd, toch maakte hij van de Brasiliano een kwartet, ingelegd met de symbolen van Rio in parelmoer, ‘om de stad Rio de Janeiro te eren’ zoals hij uitlegde.

Overtuigd van de kwaliteit van zijn nieuwe Brasiliano-model, deed hij in 1958 en in 1960 mee aan de International Violin Making Competition van Luik, maar zonder noemenswaardig succes.

De vioolbouwscholen

In 1955 begon Guido een school voor vioolbouw in Rio. Luiz Bellini was de eerste leerling. Toen Bellini klaar was met zijn opleiding bleef hij tot 1960 bij Guido werken. Helemaal opgeleid naar de inzichten van Guido, ging Bellini in 1960 naar Rembert Wurlitzer in New York waar de werkplaats werd geleid door de legendarische Simone Fernando Sacconi. Bellini’s vakmanschap maakte bij Sacconi zoveel indruk dat hij er zijn hele leven zou blijven.

In 1962 werd Guido bestuurslid van Funarte, een financieel fonds van het ministerie van Cultuur. Vanwege het werk voor deze stichting moest hij terug naar Rio, maar had wel een betere financiële positie en een vaste baan.

Zijn plannen om de vioolbouw in Brazilië verder uit te laten groeien, wilde hij in Brasilia ten uitvoer brengen. De school begon als een afdeling van de ‘Universidade de Brasília' (UNB), maar door gebrek aan ondersteuning en waarschijnlijk ook door de situatie die ontstond na de militaire coup in 1964, kreeg hij zijn school niet van de grond. In 1970 keerde hij terug naar Rio de Janeiro waar hij uiteindelijk met succes zijn school kon vestigen.

Bijna tien jaar leidde hij zijn school met grote inzet en inventiviteit. Dat ging wel met problemen gepaard; hij kon niet aan het benodigde hout komen en financieel was hij helemaal afhankelijk van de financiële steun van twee fondsen. Het gezamenlijk werken aan één instrument was een van de twee pijlers waar het leerprincipe op berustte, het andere was het zelfstandig bouwen.

Guido werd begin 80-er jaren ziek, verloor zijn gezichtsvermogen, maar bleef met steun van leerlingen en vrienden doorgaan met lesgeven. Zonder Guido’s bevlogenheid moest de school kort na zijn dood stoppen in 1987.

Instrumenten en strijkstokken

Guido bouwde maar een klein aantal instrumenten. Die waren vakkundig en nauwgezet gemaakt, waardoor er een grote vraag naar was in het land zelf. Buiten de grenzen van Brazilië is zijn werk nauwelijks bekend. Aan de Italiaanse traditie gaf hij later een Braziliaanse touch die niet door iedereen werd gewaardeerd. Guido, maar ook zijn broer, experimenteerde veel. Guido boog onder druk en grote hitte de laag hout van het boven- en onderblad alvorens hij het bewerkte. Daardoor bleven de welvingen laag. Benvenuto experimenteerde met een verplaatsbare zangbalk.

Het dennenhout voor het bovenblad kwam niet uit de streek maar werd ingevoerd, het achterblad en de ribben maakte Guido van Braziliaans grumichama-hout.

Guido Pascoli was niet alleen vioolbouwer, maar hij maakte ook erg goede strijkstokken. Ze waren, en zijn nog steeds, erg gewild in Brazilië. Hij maakte ze van voortreffelijk pernambuco. De sloffen maakte hij niet van ebbenhout, maar van een Braziliaans inheemse donkere houtsoort die lichter was dan ebben en waarmee zijn stokken opvallend licht bleven. Hij stempelde ze met G. Pascoli Rio.

Bronnen

  • The Strad; The Brazilian lutherie tradition, forged by the contribution of Italian migrants, nov. 2017.

  • Trento A, 2016, Italiani a Sao Paulo tra lavoro e tempo libero, 1880–1940, Navegar 

  • Da Gloria Leitao Venceslau, M. en Sando R., The Pascoli Brothers; Violin Making and Immigration in Twentieth-Century.

  • Sampilippo M., 2016, Italians in Brasil, Rome

  • Gropillo C., 1977 Two instruments of Guido  Pascoli, Jornal  do  Brasil,

  • Tarizio, Cozio archive, bezocht 2024

Auteur
Jan Boekhout
Datum
24 juni 2024