Doorgaan naar content
bouwer

Egidius II (Gilles) Snoeck

*1664 , Brussel      †1734 , Brussel

Voordat Egidius naam maakte als vioolbouwer, waren leden van de familie Snoeck orgelbouwers in het zuidelijke deel van de Lage Landen. Om godsdienstige redenen verhuisde de familie eerst naar Leiden en later naar Amsterdam, waar Gilles Egidius (Jelles) I in 1595 werd geboren. Hij werd medicijnmeester van de VOC en rekenmeester van Amsterdam. Wanneer de familie naar Brussel verhuisde is niet bekend, maar Egidius II kwam daar in 1664 ter wereld als vierde kind van Joannis Snoeck en Jeronima van de Velde.

Egidius ging in de leer bij de vioolbouwer Gaspar Bonbon. Hij was vioolbouwer aan het Brusselse hof dat sinds kort een vioolbouwer in dienst nam die aanpassingen kon doen aan de instrumenten, nodig om het veranderende repertoire te kunnen spelen; Gaspar was de eerste vioolbouwer die deze aanstelling kreeg. Daarnaast bleef hij ook zelfstandig vioolbouwer. Zijn violen baseerde hij op Amati en Da Salò; ze zijn daarnaast zeer zorgvuldig afgewerkt. Egidius volgde zijn leermeester als bouwer aan het hof op. Voor Egidius vormden de verschillende instrumenten van Gaspar Borbon de basis voor zijn eigen ontwikkeling.

De cellist en biograaf Willem de Mirandolle zet vader en zoon Borbon in het rijtje Cornelis Kleynman, Hendrik Jacobs, Pieter Rombouts en Johannes Cuypers, als goede cellobouwers van de Lage Landen. Zij stonden tevens bekend om hun basse de violon, een instrument waarvan Egidius Snoeck er eveneens een aantal bouwde.
Werkplaats(en)
Brussel, 1710-1734
Cello Egidius en Marcus Snoeck (1761), collectie Muziekinstrumentenmuseum Brussel

Cello Egidius en Marcus Snoeck (1761), collectie Muziekinstrumentenmuseum Brussel

Leerling en vriend van Gaspar Borbon

In 1688 trouwde Egidius Snoeck. De eerste van hun vier kinderen, Gaspar, werd vermoedelijk genoemd naar Egidius’ vriend en leermeester, Gaspar Borbon, die later ook getuige zou zijn bij het huwelijk van zijn petekind en naamgenoot. Marcus, die in 1694 werd geboren, was de laatste van hun vier kinderen. Zowel Marcus als Gaspar werden vioolbouwer. Gaspar leerde het vak van zijn schoonvader. Egidius leidde Marcus zelf op. Er bestaat nog een cello die, gezien de inscriptie, door Egidius en Marcus samen is gebouwd.

Acteur, componist en musicus

Egidius Snoeck beheerste dan wel het vak van vioolbouwer, maar daar kon hij niet van leven. Als vioolbouwer verdiende hij per jaar zo’n 125 florijnen. Zangers en musici ontvingen in zo’n zelfde periode tussen de 350 à 650 florijnen.

Tot 1710 was hij voornamelijk als musicus, acteur en gelegenheidscomponist verbonden aan het Chapelle Royale van het Brussels hof waarvan Pierre Antoine Fiocco de chef was. In 1683 componeerde Egidius bij de geboorte van koning Filips V de muziek voor een feestelijk ballet ter ere van de vorst. En in 1685 speelde hij een rol in een comédie-ballet dat, in opdracht van zijne excellentie in Brussel, werd uitgevoerd op de dag van het Feest van de Koningen. Zijn loopbaan vervolgde hij van 1706 tot 1710 als chef van het Orchestre au Theatre Royal.

Basse de violon uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds

Vioolbouwer

Egidius’ eerste violen verschijnen pas rond 1710 toen hij Gaspar Borbon opvolgde als vioolbouwer aan het hof. Dat lijkt een informele baan te zijn geweest daar hij niet met die vermelding staat in het Brusselse ‘Conseil de Finances’. Zijn functies als acteur, musicus en componist zijn na 1714 dan helemaal achter de rug. Tussen 1714 en 1722 bouwde hij maar een betrekkelijk gering aantal instrumenten. Naast zijn violen, die voornamelijk gebaseerd zijn op het Amati-patroon, bouwde hij ook cello’s, viols, viola da gamba's en enkele afwijkende  strijkinstrumenten zoals de basse de violon, violoncello da spalla en viola pomposa. Hij voorzag zijn instrumenten van een bijzondere helder-rode lak. Opvallend is de fijne randinleg en de goed gesneden f-gaten.

Snoecks violen werden erg gewaardeerd door de Duitse kunst- en muziekhistoricus Willibald L.F. von Lütgendorff-Leinburg. De meeste van Snoecks instrumenten die de tijd doorstaan hebben, zijn rond 1850 bijeengebracht door César Charles Snoeck, een van Egidius’ nakomelingen. Deze instrumenten zijn nu opgenomen in de collectie van het Muziekinstrumentenmuseum in Brussel.

In 1722 trad Egidius terug als vioolbouwer van het hof en volgde Marcus hem op. Marcus werd twee jaar later bevorderd tot directeur/collectiebeheerder maar bleef ook balletmeester en componist. Egidius ging als zelfstandig bouwer verder tot hij in 1734 overleed.

Etiket: Egidius Snoeck tot Brussel, 17... en

Egidius Snoeck à Bruxelles 17...

Bronnen

  • Archief van het Musée de la Musique Philharmonie de Paris.

  • Stadsarchief van Amsterdam en Leiden, bezocht in 2024

  • Benoît J.D. La lutherie Bruxelloise aux XVIIe et XVIIIe siècles

  • Haine M, Meeus H, 1986, dictionaire des facteurs d’instruments de musique en Wallonie et Bruxelles.

  • Liebrecht F. ,Faber, B. 1924,, l’Histoire du théâtre français à Bruxelles aux XVIIe et XVIIIe siècles, Bruxelles

  • Moens L, Snoeck, vioolbouwers aan het hof te `Brussel in de 18e eeuw.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
16 oktober 2024