
viool
Francisco Javier Lupiáñez Ruiz



Amsterdam, 17e eeuw
Bouwers zoals Gerrit Menslage, Jan Vos, Hendrik Ravekens, David Kleynman of de recent in het archief ontdekte Jasper Libbega en Pieter Opperdoes, zijn stuk voor stuk geregistreerd als vioolbouwers maar er ontbreekt nog altijd met zekerheid aanwijsbaar werk. Dit heeft te maken met het feit dat vele originele papieren labels met het signatuur of naam van de bouwer niet meer aanwezig zijn in de instrumenten. Sommige zijn verloren gegaan maar vele originele labels zijn vervangen voor vervalsingen van grote namen zoals Amati, Rugeri, Stainer en Albani. Met name de Amsterdamse school heeft hier erg onder geleden. Uit het model, de stijl van het bouwen en de gebruikte materialen blijkt dan dat het werk uit Amsterdam moet komen, maar het is onmogelijk om het werk aan een specifieke naam te verbinden. Dit is een van de redenen waarom het vinden van een origineel signatuur doorslaggevend kan zijn; een anoniem oeuvre kan ineens aan een bouwer verbonden worden.
Een enkele keer komt het ook voor dat een bouwer niet lang heeft geleefd en dus maar enkele jaren onder zijn eigen naam een atelier heeft gehad, zoals Arent Roelofz van Munster. Een viool van zijn hand dook op in Amerika maar is sindsdien weer verdwenen. Dit is een typisch voorbeeld waarom onderzoek naar de Nederlandse school hard nodig is. Met dit idee is de Hendrik Jacobs Foundation (www.hendrikjacobs.nl) opgericht, een stichting met als doelstelling om de reputatie van de vroege Nederlandse vioolbouwers en hun instrumenten weer in ere te herstellen en het nationale en internationale belang ervan te onderstrepen. Het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds onderschrijft het belang van dat onderzoek en steunt van harte het initiatief van de Hendrik Jacobs Foundation.
D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam.
Bolink J, Giskes J, Lindeman F, Stam S,, 1999, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Amsterdam.
Stadsarchief van Amsterdam, geraadpleegd in 2025