
viool
Elise Dupont

*± 1663 , Nieuwerkerk †na 1696 , Amsterdam

De eerste vermelding als vioolbouwer dateert uit 1689, wat zou kunnen verklaren waarom we alleen violen tegenkomen vanaf de jaren 90 van de 17de eeuw. Hoe lang hij actief is geweest als vioolbouwer is helaas niet bekend vanwege het ontbreken van notariële gegevens en een overlijdensakte, maar het laatste bekende label van zijn hand komt uit 1696. De bevestiging van het gerucht dat hij later naar Den Haag zou zijn verhuisd ontbreekt helaas nog. Hoe dan ook, hij is in die jaren zeker productief geweest. Waar men eerst dacht dat zijn werk maar zelden te vinden was, is na veel recent onderzoek gebleken dat hij een van de meest productieve bouwers was van de gouden periode.
Viool (1691) uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds
Het vroegst bekende exemplaar is de viool uit 1691 uit de collectie van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. Een viool die zowel de verfijndheid als de vrijheid van zijn hand laat zien. De finesse zit hem met name in de fijne inleg, mooie randen en het ranke model. Maar zijn losse manier van werken zie je terug in de gereedschapssporen op het achterblad en gutsstreken op de krul. De fragiele opbouw van zijn krullen heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat vele verloren zijn gegaan. In de jaren daarna creëert Van der Sijde een geheel eigen karakter; waar de viool van 1691 nog sterke Amati invloeden toont, komt hij al snel uit bij een zeer eigen model met een ronde welving en vaak ook iets langer model qua klankkast.

Krul van de viool (1691) uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds
Rond 1694 is er van het Amati model weinig meer te bekennen en zien we violen van groot formaat met een brede inleg. Erg typisch zijn de f-gaten die zeer dichtbij de randinleg zijn geplaatst, daardoor creëert hij zijn karakteristieke brede borst in het bovenblad. In eerste instantie komt zijn werk gedurfd en karaktervol over, maar hoe langer je naar de welving en het randwerk kijkt, hoe meer Van der Sijde’s finesse en controle over het gereedschap terug te vinden zijn.
Hoe dan ook, in de korte periode dat hij actief was, heeft hij laten zien dat hij tot de top behoorde van de Nederlandse vioolbouw. Zijn rijke goudgele gronding reflecteert prachtig onder zijn lak die kleuren had variërend van amber tot oranje en roodbruin; ze zijn helder, levendig van kleur en door de jaren is er soms een prachtige patina of craquelure ontstaan; een knap staaltje 17e-eeuws lakwerk. Van der Sijde toont daarmee dat hij met recht een van de meesters was van de Amsterdamse school.
D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam.
Bolink J, Giskes J, Lindeman F, Stam S,, 1999, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Amsterdam.
Stadsarchief van Amsterdam, geraadpleegd in 2025