vleugel
Conservatorium van Amsterdam

*1752 , Straatsburg †1831 , Parijs


Sébastien Erard
Toen Sebastian Erhard op 5 april 1752 werd geboren, was zijn vader Louis Antoine al 64. Hij was meubelmaker en overleed al zes jaar na Sebastians geboorte. Sebastian bleek intelligent en ging als een van de weinigen op zijn zesde naar school. Een van de families waar zijn vader voor had gewerkt, was die van Johann Silbermann, een orgelbouwer die in Straatsburg het grote orgel in de St. Thomas kerk had gebouwd. Sebastian maakte kennis met deze orgelbouwer, deed hand- en spandiensten voor hem, maar bleef niet in Straatsburg. Op zijn 16e vertrok hij naar Parijs en veranderde zijn naam in Sébastien Erard. Zijn peetoom was niet onbemiddeld, maar gaf hem alleen de zegen mee. Zonder geld kwam hij in Parijs aan en kwam in contact met een klavecimbelbouwer wiens naam niet is overgeleverd. Al snel bleek dat hij erg goed was in het vinden van mechanische oplossingen om klavecimbels te verbeteren. Daardoor trok hij de aandacht van de Abbé Roussier, muziekkenner en redacteur van het tijdschrift ‘Piano’s'.
De vroegste piano’s, zoals begin 18e eeuw gebouwd door Cristofori in Florence, waren geleidelijk verspreid over het continent en tegen het midden van de jaren 1760 waren piano’s al gangbare instrumenten in Londen. Maar niet in Frankrijk, daar vierde het klavecimbel tot 1780 hoogtij. Het was rond die tijd dat Sébastien Erard zijn eerste piano op de Franse markt bracht.
Abbé Roussier gaf een gedetailleerde beschrijving van het eerste instrument dat Erard bouwde in het ‘Journal de Paris’. Erard was nog net geen 25 jaar oud en vestigde met dit instrument zijn reputatie. De hertogin van Villeroy, vriendin en hofdame van koningin Marie Antoinette, werd zijn eerste beschermvrouwe. In een van de bijgebouwen van haar kasteel bouwde hij als een van de eersten in Frankrijk een piano. Dat instrument was al enkele jaren bekend in Duitsland en Engeland, maar werd in Frankrijk alleen in de vooruitstrevende Parijse kringen van de rijken en kunstenaars gebruikt en werd geïmporteerd uit Regensburg, Augsburg of Londen.
In 1777 opende Erard een eigen bedrijfje aan de Rue de Bourbon waar hij zijn eerste fortepiano bouwde en later ook zijn eerste "extra-grand modèle de concert", een piano niet meer voor kamermuziek, maar die vanwege het voor die tijd enorme dynamische bereik, bij uitstek geschikt was voor orkesten. Het Parijse conservatorium kocht er een en het instrument werd al direct de favoriet van Fauré, Saint-Saëns, Ravel, Clara Schumann en Liszt.
Koningin Marie Antoinette, Jean-Baptiste André Gautier-Dagoty, 1775
Zijn succes als instrumentenbouwer veroorzaakte veel afgunst bij zijn concurrenten. Hij werd officieel in staat van beschuldiging gesteld omdat hij zonder vergunning in Parijs werkte. Op voorspraak van de echtgenote van koning Lodewijk XVI, Marie Antoinette, verleende de vorst hem de vergunning op eigen gezag en maakte hem hofleverancier. Marie Antoinette stond, behalve haar exorbitant luxe levensstijl en haar weinige sociaal-maatschappelijk inzicht, bekend om haar voorliefde voor muziek. Ze speelde harp, klavecimbel en later fortepiano, een instrument dat in het bijzonder door haar toedoen in Frankrijk in zwang kwam. Sébastien Erard werd Marie Antoinette’s protégé en als tegenprestatie bouwde hij zeventien tafelpiano’s en enkele zeer bijzonder vleugels voor haar.
Toen zijn reputatie eenmaal was gevestigd en Sébastien Erard meer ruimte nodig had, nam hij in 1781 een groter pand in gebruik in de Rue de Mail. Hij haalde zijn zwager over om zich bij hem in Parijs te voegen. Hun eerste piano's waren rechthoekig met een klavier dat een omvang had van vijf octaven. Erard maakte daar later ook een combinatie van piano en orgel met twee klavieren voor Marie Antoinette.
In 1788 voegde zijn twee jaar oudere broer Jean-Baptiste zich bij hem. Hij stak veel geld in het bedrijf om de schulden te dekken, maar ook om uit te breiden. Beide broers tekenden een acte voor een officieel partnerschap en vanaf dat moment heette het bedrijf Erard Frères. Jean-Baptiste was zelf geen technicus en kon evenmin tippen aan de ondernemersgeest van zijn broer. Wel onderhield hij tot zijn dood een uitgebreid archief over het wel en wee van de onderneming.
Met geld van Jean-Baptiste zetten de broers in dat jaar een verkooppunt in Londen op in Great Marlborough Street 18. Met vooruitziende blik had Sébastien al twee jaar eerder daar een vergunning voor aangevraagd. Voor het transport was opnieuw een lening nodig. De Londense vestiging verkocht alleen instrumenten, de productie bleef in Parijs.
De veroordeling van Marie-Antoinette, oktober 1793. Naar Pierre Bouillon.
De grote hoeveelheid materialen, machines en de 120 personeelsleden, maakten dat de Erards zwaar op leningen leunden. De Franse revolutie van 1789 maakte korte metten zijn bedrijf. Veel rijken vluchtten en zochten een onderkomen in Engeland. De firma Erard had de naam alleen voor de rijken te bouwen en daar het ook Hofleverancier was, confisqueerde het Tribunal Révolutionnaire alle bezittingen en liet toe dat het bedrijf door een woedende menigte werd vernield. Dezelfde rechtbank veroordeelde enkele jaren later Sébastiens beschermvrouwe Marie Antoinette tot de guillotine.
Verdere ontwikkelingen wachtte Sébastien niet in Parijs af. Kort nadat het Franse koningspaar een mislukte vluchtpoging had gedaan om uit handen van de revolutionairen te blijven, ging Sébastien naar Londen. In 1792 opende hij naast de verkoopvestiging een pianofabriek, eveneens in Great Marlborough Street. Zijn broer Jean-Baptiste bleef achter om de op de restanten van de Erard firma te passen. In 1796 kreeg Sébastien een zoon: Pièrre Orphée.
Door de Industriële Revolutie was in Londen een van ‘s werelds rijkste middenklassen ontstaan. Om een volksopstand zoals in Frankrijk te voorkomen gaf de adel steeds meer privileges, waaronder muziek, uit handen. Dit was de voedingsbodem voor het meest briljante en meest levendige muziekleven in Europa. Veel grote musici kwamen vroeger of later naar London om zich te laten bejubelen. Niet alleen Sébastien Erard bevond zich in Londen, maar ook zijn grote Franse concurrent de bouwer van fortepiano's Ignaz Pleyel. Pleyel maakte met zijn piano’s furore in de razend populaire “Salomon concerts”, de “Salle Erard Piano Gallery and Recital Hall” was een van locaties voor de andere populaire concertserie de “Pantheon concerts” die werd georganiseerd door C. F. Abel en J.C. Bach.
Onderdeel van Sébastien Erards patent, geregistreerd op 16 mei 1801
Sébastien was in 1801 nog steeds in Londen. Op 16 mei van dat jaar vroeg hij in Engeland een patent aan voor een verbetering aan een piano-mechaniek. Het grootste deel van deze patentaanvraag ging echter over de harp. Blijkbaar was dat instrument voor hem net iets belangrijker dan de piano. Bij de meeste patentregistraties van Sébastien, kwam de harp eerst en werd de piano pas later toegevoegd in de aanvraag. Deze aanvragen laten zien dat de harp zijn voorkeur begon te krijgen boven de piano. Alleen al in Engeland verkocht Sébastien voor 25.000 pond aan harpen in het eerste jaar dat hij die daar op de markt bracht en dat was beduidend meer dan de opbrengst van de piano verkoop.
In oktober 1803 werd de door Beethoven bestelde Erard piano afgeleverd, een piano en ‘forme de clavecin’. Het was Beethovens eerste piano van buitenlandse makelij en droeg het serienummer 133. De componist was “er zo door betoverd, dat hij alle piano's die hier (in Wenen) zijn gemaakt in vergelijking daarmee als rotzooi beschouwt.” De klank van de Franse piano was dan wel voortreffelijk, maar zijn aanslag was veel zwaarder dan die van de Weense piano’s. De nr. 133 kreeg na zes jaar, in 1809, een reeks technische aanpassingen die werden uitgevoerd door een plaatselijke pianotechnicus. De Erard verloor daarbij zijn bijzondere klank. Beethoven vond de Erard daarna “volkomen onbruikbaar”. Piano nr. 133 hield hij slechts als souvenir. Wel kocht hij een nieuwe.
Beethoven was “zo door de Erard betoverd, dat hij alle piano's die hier (in Wenen) zijn gemaakt, in vergelijking daarmee, als rotzooi beschouwt.”
Het imperium van de Erards werd in tweeën gescheurd door de langdurige oorlog tussen de Franse Republiek en Groot-Brittannië. In 1793 had Frankrijk die eenzijdig uitgeroepen en Erard moest alle onderdelen voor de Londense vestiging in Engeland gaan produceren.
Pas na het verdrag van Amiens in 1803 kregen de Erards weer zicht op een betere toekomst. Ze verviervoudigden hun materiaalvoorraad, huurden nieuwe opslagruimtes, vergrootten hun werkplaatsen en namen extra arbeiders in dienst. De hoop en de enorme investeringen die de Erards in hun Franse tak staken, bleken een tragische misrekening te zijn. Napoleon stelde handelsblokkades in die de financiële problemen van de Erards verergerden. In februari 1813 verklaarde de Parijse tak van de firma Erard zich officieel failliet.
De schulden werden uiteindelijk betaald uit de grote winsten van het filiaal in Londen. In 1814 ging Jean-Baptiste's zoon Pièrre Orphée Erard naar Londen om bij zijn oom te werken. Pierre bleek een efficiënt leidinggevende van de Londense vestiging te zijn. Hij adverteerde in de Londense kranten met:
Erard’s Grand Pianofortes … Notice is hereby given, that His Majesty has been graciously pleased, with the advice of his Privy Council, ... to grant to Pierre Erard of Great Marlborough-street, ... new patentletters for his Grand Pianoforte’.
Briefhoofd van de firma Erard onder leiding van Pierre Erard
Dankzij het Londense succes kon Sébastien het jaar daarop terugkeren naar Parijs waar hij in 1819 begon met zijn eerste deelname aan internationale tentoonstellingen, in 1823 en 1827 gevolgd door nog twee andere.
Sébastien nam vanaf 1820 geleidelijk aan gas terug, begon kunst te verzamelen en kocht een vleugel van het landhuis La Muette in Parijs nabij het bos de Boulogne. In 1823 kreeg hij het Croix de Legion d’Honeur.
Nog één keer werd er een beroep gedaan op zijn technische kennis. Door de revolutie was het orgel in de Tuillerieën vernield en in 1830 werd Sébastien Erard aangesteld om het te restaureren. De restauratie kon hij niet voltooien omdat hij in augustus 1831 overleed. Jean-Baptiste was al vier jaar eerder overleden. Pièrre Erard erfde de firma en de meest kostbare privéverzameling kunst in Frankrijk. Onder de 264 schilderijen zaten werken van Rembrandt, Dou en Poussin. De kunstwerken werden geveild en met de opbrengst daarvan kon Pièrre de schulden aflossen.
Erard was door de jaren heen hofleverancier gebleven en had in Frankrijk geleerd hoe om te gaan met de adel en de ‘beau monde’. Ook in Engeland kreeg de firma voet aan de grond bij het Britse koninklijk huis. De koningin van Engeland liet in 1843 geen Engelse, maar een Erard piano bouwen voor in het jacht de ‘Victoria and Albert’, een instrument dat zo werd afgewerkt dat het volledig opging in de rijke inrichting van het schip.
In de Parijse muziekwereld heerste er een levendige strijd tussen Erard en Pleyel. Ignaz Pleyel had Chopin voor zich gewonnen die de Pleyel piano’s promootte waar hij maar kwam. De ‘Salle Pleyel’, een concertzaal waar Chopin vaak concerten gaf, speelde daar een grote rol bij. De Salle werd een belangrijk centrum van de muziekminnende Parijse kunst- en muziekwereld.
In een periode dat de fortepiano nog brabbelt als een kleuter, laat Sébastien de zijne al zingen. "Geen van de dochters van schoonheid zal de magie van een Erard hebben.”, verzuchtte Felix Mendelssohn
De eerste ‘Salle Erard’ was een bescheiden concertruimte, voornamelijk geschikt voor kamermuziek. In 1850 liet Pièrre Erard een grotere zaal bouwen die in de loop van de jaren uit zou groeien tot een ander muzikaal epicentrum in de Franse hoofdstad. De Salle zou tot 1931 blijven bestaan. Franz Liszt kwam er als wonderkind over de vloer en werd Erards ‘familiepianist’. Wat Chopin was voor Pleyel, was Liszt voor Erard. Franz Liszt speelde in 1824 in Parijs op een Erard-piano met zes octaven. Erard gaf hem een contract tot eind 1825. Liszt kon, samen met enkele piano’s van de firma, op kosten van Erard door heel Engeland toeren. Hun vijf-octaafs vleugels kostten toen 3000 francs, In 1852 kostten de zeven-octaafs piano’s 3500 francs.
Salle Erard in Parijs, 2e helft 19e eeuw
In 1865 jaar maakte Erard in Frankrijk met 425 man 1700 piano’s en in Engeland ongeveer 500. De concurrentie was groot, vooral Pleyel was in opkomst. Die firma bouwde in dat jaar een gemechaniseerde fabriek en kon met minder mensen 3000 piano’s maken. Een andere grote Parijse pianobouwer, Gaveau, maakte voor de opkomst van Pleyel en Erard met 350 arbeiders ieder jaar 2000 piano’s. Het hout voor de buitenkant haalde Erard uit 12 plantages in Brazilië, waarna het een heel jaar moest drogen. Voor de zangbodem importeerden zowel Pleyel als Erard dennenhout uit Italië. Vanaf 1777 tot 1959 bouwde de firma Erard ruim 131.000 piano’s.
Op piano’s van Erard vochten Liszt en zijn grote tegenstrever Thalberg in Parijs hun strijd uit om wie zich de grootste mocht noemen. Het duel eindigde gelijk. De jury oordeelde dat “Thalberg de eerste pianist ter wereld is en Liszt de enige.” Ook andere beroemde componisten waren verknocht aan het merk: Haydn, Beethoven, Verdi, Ravel hadden er één, Wagner componeerde er de nachtelijke scènes uit de opera Tristan und Isolde op. Een biograaf betoogde dat tussen 1820 en 1931 tweederde van alle klassieke muziek geschreven is op een Erard.
Detail dubbelpedaalharp Maison Erard, Londen, 1820, Collectie Musée de la musique, Parijs. Foto Claude Germain, 2011
Rond de eeuwwisseling was de harp in Frankrijk bijna net zo populair als de piano. Sébastien Erard maakte grote aantallen van beide. Aan de concertharp werkte hij acht jaar. Het was onder de adel ‘in de mode' om harp te spelen. Marie-Antoinette had al op dit instrument gespeeld voor zij Erard leerde kennen.
Sébastien vond dat zijn concertharp veelzijdiger was dan de piano omdat daarmee een speler met behulp van de pedalen, 21 toonhoogten per octaaf kon halen, terwijl bij de piano’s 12 de limiet was. De Erard harp was dan wel geavanceerd, maar een snelle wisseling naar een andere toonsoort was er niet bij. En dat was wel waar moderne componisten als Wagner, Liszt, Richard Strauss en Debussy naar op zoek waren voor hun complexe muziek. Erards rivaal Pleyel besloot daarom een ander soort instrument te ontwikkelen: de chromatische harp die daaraan tegemoet kwam. Het enige wat op de nieuwe Pleyel niet mogelijk bleek, waren glissandi. En dus bestelde Erard bij Maurice Ravel een muziekstuk dat juist de nadruk zou leggen op de kracht van de Erard harp waarop dat wel kon.
Crystal Palace tijdens de 'Great Exhibition' in 1851
Pierre Erard dong zoveel hij maar kon mee naar prijzen op grote tentoonstellingen. Op de Crystal Palace Exhibition in Londen in 1851 hadden zowel de Franse als de Engelse tak van de firma piano's tentoongesteld. De Franse tak zette er twee 'extra grand' piano's neer. De Engelse vestiging van Pierre toonde verschillende piano's en harpen; hij kreeg voor beide inzendingen de grote eremedaille.
De volgende inzendingen gingen naar de Exposition Universelle in Parijs van 1861, 1885 en die van 1889, op alle drie kwamen miljoenen mensen af. Op de eerste twee ontving Erard een Grand Medaille d’Honneur en op die van 1989 de veelbegeerde Grand prix.
In 1890 moest Erard de vestiging in Londen sluiten wegens een te grote concurrentie van Engelse pianobouwers. De Franse tak ging door.
Sébastien Erard was de eerste bouwer in Parijs die een piano van pedalen voorzag om variaties in het spel mee te kunnen aanbrengen. Daar maakte hij er verschillende van: een sustain-pedaal die de klank lang aan deed houden, een verschuivingsmechaniek, een celeste- en een fagotpedaal, waarbij het laatste leer tegen de snaren drukte om ze te laten zoemen. Een kniehendel bewoog het mechanisme verder dan het actiepedaal, waardoor de hamers maar één snaar aansloegen. Hij patenteerde ook een piano in de vorm van een secretaire, met twee klankkasten boven elkaar, en vond een transponeerpiano uit met een houten cilindervormige zangbodem die door vier rollen heen en weer werd bewogen, zodat de snaren van de hogere of lagere noten door dezelfde hamers werden aangeslagen.
Het pand van Erard op Gt Marlborough Street 18, Londen. Afbeelding met dank aan Look and Learn-Historical Picture Archive
In Frankrijk patenteerde Sébastien Erard ook zijn dubbel-escapement (repetitie-) mechaniek, terwijl de zoon van Jean-Baptiste, Pierre, ‘Inventor, Designer, and Manufacturer’, at 18 Great Marlborough Street’, in Londen het patent aanvroeg voor ditzelfde mechaniek. Dit was ook het eerste van de negen andere patenten die Pierre Erard daar verleend werden. Geen andere pianobouwer had zo’n grote diversiteit in zijn catalogus.
Met het succes van de Salle Erard in Parijs voor ogen, opende de firma een vergelijkbare zaal in Londen. Engeland liep op het gebied van piano’s mijlenver voor op de Fransen en Erard moest alles in het werk stellen om ook daar naamsbekendheid te krijgen. Erard sloot het productiefiliaal in Great Portland Street, maar in 1894 werd een grote pianogalerie en concertzaal geopend in Great Marlborough Street. De Poolse pianist Ignacy Jan Paderewski opende het. Zijn Franse debuut bij de opening van de Salle Erard in Parijs was een groot succes geweest en het openingsconcert in de Londense Salle Erard leverde Erard in Engeland een vergelijkbare bekendheid op. De productiehal in Great Portland Street moest daarna uitgebreid worden.
Na het verlopen van de patenten kon Erard de concurrentiestrijd niet volhouden tegen de kanonnen als Steinway. De dood van Pièrre Erard in 1855 betekende dat er voor het eerst in meer dan tachtig jaar geen inventief genie meer aan het hoofd stond van de firma.
Pièrre’s echtgenote, Camille Erard, nam op haar 43e de leiding van de firma over. Daarmee werd Camille wel een van de weinige vrouwen van haar tijd die een groot internationaal bedrijf leidde. Richard Wagner vroeg haar per brief in 1855 om hem in Parijs te ontvangen en kocht een piano van haar. Ook Clara Schumann betuigde haar steun. Dat sterkte Camille in de overtuiging dat Erard bestaansrecht bleef houden. Zij ondernam twee ambitieuze projecten. Het eerste was de bouw van een concertzaal in de Rue du Mail. Het tweede was de bouw van een enorme moderne fabriek aan de rand van Parijs.
Uiteindelijk was een gebrek aan innovatie in combinatie met toenemende concurrentie van Duitse en Amerikaanse pianobouwers de oorzaak van de uiteindelijke ondergang van de firma Erard. Camille overleed in 1898. Daarna werd de naam gekocht en weer verkocht door verschillende bedrijven. De naam Erard bleef formeel bestaan. Enkele bijzondere instrumenten werden er gebouwd, maar een productielijn was er niet. In 1959 volgde een fusie met Gaveau en een jaar later met Pleyel. In 1970 kocht de firma Schimmel de onderneming en een jaar later was Erard een onderdeel geworden van de internationale Schimmel Company. Geen enkel bedrijf heeft twee eeuwen lang zoveel aan de ontwikkeling van de piano bijgedragen als Erard. Het Manufacture Française beheert het Erard archief en bouwt replica’s van Erard piano’s waarmee het historische kennis wil doorgeven.
Adelson R., Roudier A., Nex J., Barthel L., Foussard M., 2015 The History of the Erard Piano and Harp in Letters and Documents, 1785-1959, Cambridge
Bloom, P., 1987, Music in Paris in the 1830’s. New York, Pendragon press
Brancour, R., 1921, Histoire des instruments de musique. Paris
Burnett, R., 2004 Company of pianos, London
Emmanuel, A., 1980, La harpe, son évolution, ses facteurs. Paris
Getreau, F., 1996, Les collections instrumentales du Conservatoire de Paris.1793-1993. Paris
Harding R.E.M., 1978, The Pianoforte – its history traced to the Great Industrial Exhibition of 1851
Janmaat F., 2019. Sébastien Erard, de grootste harp- en pianobouwer aller tijden. Enkhuizen
Melville, D.,1971, Beethoven’s pianos: The Beethoven Companion. London