Doorgaan naar content
bouwer

Pietro (II) Guarneri

*1695 , Cremona      †1762 , Venetië

Pietro Guarneri ‘van Venetië’ was de laatste van de familie grote vioolbouwers in Cremona. Zijn vader Giuseppe en grootvader Andrea hadden de basis gelegd voor een loopbaan van Pietro en zijn broer Giuseppe ‘del Gesù’ in de traditie van de Guarneri’s. Beide broers hadden echter andere opvattingen over het vak en gingen hun eigen weg; Del Gesù zou als eigenzinnige bouwer in Cremona blijven, Pietro vertrok naar Venetië. Het was het muzikale centrum van Europa waar elf operahuizen en zes theaters vrijwel wekelijks uitvoeringen gaven. Hij kwam terecht in het atelier van Matteo Sellas II die geen vioolbouwer was, maar wel door anderen strijkinstrumenten liet bouwen.

Zijn eerste Venetiaanse werk leek niet op dat van de andere Guarneri’s maar meer op dat van zijn voormalige stadgenoot Stradivari. Later bouwde hij een model dat een samensmelting was van de Venetiaanse school en die van Cremona. Overschaduwd door de andere Guarneri’s werd Pietro na zijn dood vrijwel vergeten. Zijn erkenning kwam pas aan het eind van de negentiende eeuw. Inmiddels wordt hij beschouwd als een van de grootsten van de Venetiaanse school.
Werkplaats(en)
Cremona, 1715-1724
Venetië, 1725-1762
Casa Orcelli-Guarneri

Casa Orcelli-Guarneri

Cremona

Pietro Guarneri werd geboren in het ‘Casa Orcelli-Guarneri’, een bescheiden huis in het centrum van Cremona waarin ook zijn vader en grootvader hun atelier hadden. Hij was het tweede kind van Giuseppe Guarneri ‘Filius Andreae’ en Barbara Franchi. Het huis had toebehoord aan de schoonouders van zijn grootvader Andrea, maar na diens huwelijk met Anna-Maria Orcelli was het echtpaar erin blijven wonen. Het werd de geboorteplaats van al hun nakomelingen. Vermogend was de familie Guarneri zeker niet; Giuseppes vader had een forse lening moeten afsluiten en een deel van het huis verhuurd om andere schulden te kunnen betalen. Het lag gunstig: dicht bij de familie Stradivari en in de schaduw van de St. Domenico-kerk.

In Cremona werkten slechts vier families die zich met vioolbouw bezig hielden: Amati, Ruggeri, Stradivari en Guarneri. In de nogal strikte hiërarchie van Cremona was Stradivari de voornaamste. De meest invloedrijke was echter Amati, naar wiens model de anderen zich nog lang richtten. Van de Cremonese vioolbouwers had familie Guarneri de grootste moeite om het hoofd boven water te houden.

Pietro’s vader, Giuseppe ‘filius Andreae’ (1666-ca. 1730) was een goed vakman, maar zijn instrumenten konden niet op tegen die van zijn grote tijdgenoten. Het hout dat hij ervoor gebruikte was eenvoudig, soms van beuken, populier of linde en niet altijd op dezelfde manier gezaagd. Zij dienden de muzikale eisen van zijn tijd, maar stegen er niet boven uit. In verhouding tot die van zijn grote stadsgenoten waren zijn instrumenten voordelig; slechts één vijfde van de prijs die Stradivari rekende.

Van de Cremonese vioolbouwers had familie Guarneri de grootste moeite om het hoofd boven water te houden

In 1695 werd de tweede van hun zes kinderen, Pietro Guarneri geboren. Drie jaar later gevolgd door Giuseppe ‘del Gesù’ (1698-1744). In zo’n acht jaar tijd leidde hun vader, Giuseppe ‘filius Andreae’, zijn beide zonen op tot vioolbouwer. Gezamenlijk werkten zij tien jaar lang onder zijn leiding in de familiewerkplaats. Rond 1715 bouwde Pietro eigenhandig al enkele violen waarover de kenner Charles Beare in 1999 schreef dat ‘er één bij was waarin ik met zekerheid zijn [Pietro’s, red.] hand herkende en dat het superieure instrument van Arthur Grumiaux was geweest’.

Vertrek uit zijn vaders werkplaats

In 1719 verliet Pietro de werkplaats van ‘Casa Guarneri’ om ergens anders in Cremona te gaan werken. Voor die tijd een opmerkelijk besluit; niet eerder had in Cremona een zoon het bedrijf van zijn vader op deze manier verlaten. Hij was al die jaren door zijn vader opgeleid en ‘had zicht op een loopbaan als meestervioolbouwer’, zoals Hill het formuleerde.

Pietro’s vertrek was vermoedelijk ingegeven door het wegvallen van de vraag naar instrumenten die nog op de oude Amati-vorm gebaseerd waren, maar ook doordat de Guarneri-familie langzamerhand overschaduwd werd door de opkomst van de véél succesvollere Stradivari. Die was vernieuwend, had een grote productie en bouwde vooral instrumenten voor de meer welgestelden. Bovendien begon Cremona door de opkomst van nieuwe centra binnen en buiten Italië zijn dominantie voor wat de vioolbouw betreft te verliezen. Als aanvullende reden voor zijn vertrek geeft Hill (1989) dat de verschillen van mening tussen Pietro en zijn vader, met wie hij onder één dak leefde, te zeer uiteen waren gelopen om nog langer bij elkaar te blijven. Als concurrent van zijn vader bouwde hij zijn instrumenten enkele jaren lang in Cremona zonder hulp van anderen alvorens rond 1724 naar Venetië te gaan.

Pietro verhuist naar het bruisende Venetië

Ook al was Venetië over zijn hoogtepunt heen, voor musici was het nog steeds aantrekkelijk door de bekoring van het kleurrijke, uitbundige leven. Het was een op muziek gezet stadsbestaan. Aristocratische families bezaten operatheaters en soms kostbare collecties instrumenten. Ze speelden en zongen zelf en waardeerden goede musici. De scheiding van kerk en staat was er vervaagd. De Doge, die door het volk gekozen werd, had de leiding over geestelijke èn politieke zaken.

Operahuis Teatro Grimani in 1709. Gravure door Vincenzo Maria Coronelli

Publieke festivals, waarvan er in Venetië meer waren dan elders in Europa, waren kleur- en luisterrijke aangelegenheden. Venetië telde nooit minder dan zes operagezelschappen, die samen in totaal vierendertig weken per jaar optraden in de elf operahuizen van de stad. Tussen 1725 en 1750 zag en hoorde het Venetiaans publiek per jaar tien of meer nieuwe opera’s. Venetiaanse rijken en academies financierden de muzikale programma’s op grote schaal. Goede musici werden royaal beloond. Op feestdagen waren kerkdiensten niet zozeer religieuze ceremonies als wel grote instrumentale en vocale concerten. Duitstalige vioolbouwers, die over het algemeen veel verder waren in het ambacht dan bouwers uit ander streken, hadden in de stad een omvangrijke gemeenschap gevormd.

Venetië telde nooit minder dan zes operagezelschappen, die samen in totaal vierendertig weken per jaar optraden in de elf operahuizen van de stad

In 1724, het jaar waarin Pietro Guarneri in Venetië aankwam, werkten er tientallen vioolbouwers in de stad, maar slechts enkelen werden tot de echte Venetiaanse meesters gerekend. Matteo Goffriller (1659-1742) was, als grondlegger van de Venetiaanse school, tot enkele jaren voor Pietro’s komst de meest invloedrijke vioolbouwer van de stad, maar ‘nieuwe’ bouwers als Domenico Montagnana (1686-1750), Carlo Tononi (1675-1730) en zeker Santo Serafin (1699-ca. 1758), die de bescherming genoot van enkele vooraanstaande Venetiaanse adelijke families, bleken geduchte concurrenten te zijn en waren in opkomst.

In het atelier van Matteo Sellas II

Uit Venetië zijn tot 1725 geen instrumenten gevonden met een label van Pietro Guarneri. Vermoedelijk had hij een jaar nodig om te voldoen aan de strenge eisen die de Venetiaanse Scuola dei Marzeri (het voormalig gilde van handwerkslieden) stelde aan iedereen die in Venetië wilde komen werken. Pas nadat hij aangetoond had over voldoende vakmanschap te beschikken werd hij toegelaten tot het broederschap en mocht hij instrumenten onder eigen naam bouwen. Zijn meesterschap ontwikkelde Pietro verder bij Matteo Sellas II in wiens atelier hij vanaf het begin van zijn aankomst in Venetië was gaan werken en bij wie hij bleef tot hij in 1733 voor zichzelf kon beginnen.

Matteo Sellas II was kleinzoon van de vermaarde en gelijknamige bouwer van luiten en gitaren. Met negen leden van de familie waren de Sellas ruim vertegenwoordigd in Venetië. Van Matteo II zelf is geen enkel instrument bekend, maar in zijn werkplaats werden strijkinstrumenten gebouwd door enkele Duitse vioolbouwers en door Carlo Tononi die uit een vooraanstaande vioolbouwersfamilie in Bologna kwam. De instrumenten die zij bouwden werden ongelabeld verkocht aan de Ospedali, conservatoria of aan musici die niet over de vereiste financiële middelen beschikten. Alleen Carlo Tononi en Pietro Guarneri bouwden onder hun eigen naam en konden steeds vaker in opdracht werken. Tononi stierf in 1730 en Pietro bleef als enige meester vioolbouwer bij Sellas achter tot hij in 1733 zoveel vaste klanten had dat hij een eigen atelier kon openen.

Gezicht op Palazzo Ducale, Venetië. Canaletto, 1755

In 1728 trouwde Pietro Guarneri met Angiola Maria Ferrari, een jonge vrouw uit een weinig vermogende Venetiaanse familie. Geen van de Guarneri’s was getuige bij het huwelijk, maar het was Matteo Sellas die in hun plaats zijn handtekening zette. Een jaar later werd de eerste van tien kinderen geboren. Gezien de getuige, die van hoge adel was, en die het doopregister van hun laatste zoon in 1743 tekende, moet Pietro in de loop van de jaren opgeklommen zijn in de nogal gesloten sociale hiërarchie van de Venetiaanse samenleving.

Pietro bleek naam te maken met zijn instrumenten die veel weg hadden van Stradivari, zijn voormalige buurtgenoot uit Cremona wiens instrumenten en werkwijze hij bewonderde. Het was een model dat in Venetië al enige tijd geliefd was.

Herdenkingssteen voor Vivaldi bij de Ospidale della Pietà

De rol van 'Ospedali'

Nadat hij voor zichzelf was begonnen kwamen opdrachten van rijke amateur musici én van de verschillende Ospedali, waarvan het Ospedale della Pietà de beroemdste was. De Ospedali waren uitgegroeid van liefdadige instellingen voor weeskinderen tot luxueuze instellingen, waar Venetiaanse patriciërs hun dochters, voor wie zij bij een huwelijk liever geen bruidsschat wilden betalen, heen brachten. Musiceren was belangrijk en hoorde bij hun ‘stand’.

De meeste Ospedali hadden een collectie goede instrumenten, maar ieder meisje dat toetrad diende bij voorkeur over een eigen instrument te beschikken. Vooraanstaande vioolbouwers, waaronder Pietro Guarneri, hadden contracten met de Ospedali. Zij bouwden, verhandelden, repareerden en verhuurden instrumenten. Onder Vivaldi, die er met enkele onderbrekingen dertig jaar leiding had, was het muziekonderwijs in het Ospedale della Pietà op zeer hoog niveau gekomen. Er kwam veel publiek naar hun uitvoeringen toe. Voor iedere feestdag werd wel een nieuw oratorium of concert geschreven.

 Gezien de verschillen tussen de instrumenten die de beide broers maakten, is er niet meer dan een bescheiden vorm van samenwerking of beïnvloeding sprake geweest

Pietro en zijn broer ‘del Gesù’ hebben vrijwel zeker in Venetië contact met elkaar gehad. Voor ‘del Gesù’ waren de bouwers in de stad een belangrijke bron van nieuwe kennis op zijn vakgebied. Gezien de verschillen tussen de instrumenten die de beide broers maakten, is er niet meer dan een bescheiden vorm van samenwerking of beïnvloeding sprake geweest. Hill (1931) ziet wel onderdelen van instrumenten waaraan de broers samengewerkt lijken te hebben.

In de jaren tussen 1733 en 1762 bouwde Pietro aan een oeuvre waarvan de omvang niet volledig in beeld is gebracht, maar dat in vergelijking tot dat van Stradivari of Goffriller bescheiden moet zijn geweest.

Geen van zijn kinderen had de ambitie om hun vader op te volgen. In Mantua was zijn oom en naamgenoot Pietro Guarneri al in 1720 gestorven, zijn vader was in ca. 1739 overleden en zijn broer Giuseppe del Gesu in 1744, waardoor Pietro ‘van Venetië’ de laatste van het geslacht Guarneri was geworden. Na een ziekte die maar enkele dagen heeft geduurd, stierf Pietro Guarneri in 1762.

In het verleden was de aandacht zozeer uitgegaan naar zijn vader ‘filius Andreae’ en broer ‘del Gesù’ dat de musicoloog de Piccolellis in 1885 nog schreef dat de naam ‘Pietro Guarneri figlio de Giuseppe onbekend is in Italië’. Pas jaren later ontdekten kenners de kwaliteit van Pietro’s werk en groeide de erkenning die hij verdiende. Tegenwoordig wordt hij beschouwd als een van de laatste grote Venetiaanse vioolbouwers.

Werk en invloed

Van de tien jaar dat Pietro in Cremona gewerkt heeft, zijn slechts enkele instrumenten bekend, allemaal uit 1721. Ze zijn gebaseerd op het model van de familie Guarneri. Alleen kenners kunnen de hand van Pietro onderscheiden van die van zijn vader en broer. Ongeacht wie van de familie een instrument bouwde, het werd altijd voorzien van een label van Giuseppe ‘filius Andreae’. Pas nadat Pietro bij zijn vader weggegaan was, kon hij instrumenten onder zijn eigen naam bouwen.

Viool (1725) uit Pietro Guarneri's begintijd in Venetië

Zoekend naar een eigen vorm

Zijn eerste Venetiaanse werk laat nog maar een vage herinnering aan zijn vaders model zien. Uiterlijk lijken ze op Stradivari, maar met een lak van de ‘Venetiaanse’ kleur rood die hij dik aanbracht. In de daaropvolgende jaren zocht hij naar een eigen vorm. Die vond hij niet direct, hij greep tot 1730 nog enkele malen terug naar zijn Cremona-tijd met elementen van Amati en van zijn grootvader Andrea Guarneri. Opvallend is dat hij niet één keer aan zijn vader refereerde. In de loop van de jaren ontwikkelde hij een eigen model dat een samenvoeging werd van de stijl uit Cremona en van de Venetiaanse school van Matteo Goffriller.

Nadat Pietro in 1733 zelfstandig geworden was, begon een periode waarin hij zijn beste instrumenten bouwde. Het materiaal waarmee hij zijn instrumenten maakte bleef tot rond 1735 eenvoudig. Geen mooi gevlamd hout, maar wel prachtige lak die hij naar Venetiaans gebruik vrij dik opbracht. Vanaf 1740 komen er tekenen van invloed van zijn tijdgenoot Serafin in zijn violen terug. Welk model hij ook koos, in vrijwel alle instrumenten bleef de krul vrijwel geheel het ‘Guarneri’ familiemodel die hij in Venetië alleen nog maar verder perfectioneerde.

Hoewel in Venetië veel behoefte was aan cello’s nadat obligate instrumentale baspartijen in kerkelijke en wereldlijke muziek in opmars waren gekomen, heeft Pietro vermoedelijk niet veel meer dan tien cello’s gebouwd, Ze zijn breed uitgewerkt en zijn voorzien van geprononceerde hoekpunten. Doordat Pietro de f-openingen meestal ver naar buiten plaatste wordt de breedte nog eens onderstreept. Hij bouwde hoofdzakelijk violen en een enkele altviool.

Het instrument dat het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds van Pietro Guarneri ‘van Venetië’ in de collectie heeft is een van zijn allereerste instrumenten die hij in Venetië gebouwd heeft.

Bronnen

  • W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1931, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, Londen.

  • Hill W. Henry, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1902 Antonio Stradivari: His life and work (1644-1737), London.

  • De Piccolellis, G. 1885, Liutai antichi e moderni, Successori le Monnier, Florence.

  • Pio S., 2019, The Sellas Family of Violin and Lute Makers, Journal of the Violin Society of America.

  • Jalovec, K., 1957, Italienische Geigenbauer, Praag.

  • Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Brussel.

  • The Strad; In Focus 2013; John Dilworth.

  • Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, Londen.

  • Tarisio; the Cozio archive, bezocht in 2020.

  • Hargrave R. G., 2011, The Working Methods of Guarneri ‘del Gesù’ and their Influence upon his Stylistic Development.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
24 augustus 2020