Doorgaan naar content
bouwer

Michel Angelo Bergonzi

*1722 , Cremona      †1758 , Cremona

Er is niemand die beter beschouwd kan worden als opvolger van de grote Guarneri del Gesù dan Michel Angelo Bergonzi. Hij was zoon van Carlo Bergonzi die, na enige tijd voor zichzelf gewerkt te hebben, in 1745 bij Stradivari introk. Michel Angelo was toen drieëntwintig en begon eveneens in het Stradivari-atelier. Hij werd echter steeds meer aangetrokken door de stilistische opvatting van Guarneri del Gesù die nagenoeg zijn buurman was. Met zijn eigen stijl onderscheidde Michel Angelo zich van zijn vader die eerst veel naar het werk van Stradivari bouwde en later naar dat van Ruggeri.
De instrumenten van Michel Angelo Bergonzi geven de stand van zaken op het gebied van de vioolbouw in Cremona goed weer. Door opkomst van nieuwe ‘scholen’ binnen en buiten Italië was Cremona het monopolie in de vioolbouwkunst in Europa kwijtgeraakt en voelde Michel Angelo zich vrij om los te komen van de strenge stilistische opvattingen van Cremona en nieuwe ideeën te verkennen. Toch bleef hij tot 1744 met enkele instrumenten zo dicht bij Guarneri del Gesù in de buurt dat ze soms met elkaar verwisseld werden. Daarna werd zijn werk een synthese van de belangrijkste Cremonese stromingen.
Werkplaats(en)
Cremona, 1737-1758
Kerk van San Luca, Cremona door Francesco Canedi.
Carlo Bergonzi was actief lid van deze kerkgemeenschap en ook Vincenzo Ruggeri woonde in deze buurt.

Kerk van San Luca, Cremona door Francesco Canedi. Carlo Bergonzi was actief lid van deze kerkgemeenschap en ook Vincenzo Ruggeri woonde in deze buurt.

Grote bouwers in Cremona

Michel Angelo Bergonzi werd geboren in Cremona waar vier grote families van vioolbouwers, Amati, Ruggeri, Guarneri en Stradivari, zonder meer de belangrijksten waren. Zijn vader, Carlo Bergonzi (1683–1747) was eveneens vioolbouwer. Chiesa en Rosengard (2010) hebben aangetoond dat Vincenzo Ruggeri Carlo’s eerste leermeester moet zijn geweest voordat hij bij Stradivari ging werken en bij hem zijn leerschool voortzette. Die overtuiging wordt bevestigd door archiefstukken die op nauwe persoonlijke en financiële banden tussen de families Bergonzi en Ruggeri wijzen.

Na zijn eerste periode bij Ruggeri begon Carlo voor zichzelf met Michel Angelo die een jaar of twaalf moet zijn geweest als leerling. Dilworth (2019) ziet in de door hem grondig geanalyseerde instrumenten van de Bergonzi’s al de hand van de vijftienjarige Michel Angelo terug. Carlo’s werk was zeker in het begin zeer sterk gebaseerd op dat van Stradivari en hij was dan ook degene die het meest in aanmerking kwam om Stradivari in zijn onderneming op te volgen waardoor hij hoog in de Cremonese hiërarchie van vioolbouwers had kunnen eindigen. Helaas leefde Carlo maar twee jaar langer dan Stradivari en zou de naam Bergonzi pas later door Michel Angelo aan de vier groten worden toegevoegd.

Casa Stradivari

Nadat Stradivari in 1737 overleden was, zijn zoon Omobono in 1742 stierf en zijn andere zoon Francesco in 1743, betrok Carlo Bergonzi samen met zijn vrouw, Michel Angelo en zijn broer Zosimo (1724-1779) het huis en de werkplaats van Stradivari. Daar troffen de Bergonzi’s een aantal achtergebleven en onafgemaakte instrumenten van Stradivari aan. Deze werden door de Bergonzi’s in het eerste jaar afgebouwd. Tot 1746 bleven Stradivari’s zoons Paolo en Giuseppe er ook nog wonen, maar nadat ook zij vertrokken waren, huurde Carlo het hele huis. Daar werd Michel Angelo’s eerste zoon Nicolò (ca. 1740-ca. 1782) geboren en vijf jaar later zijn tweede zoon Zosimo (ca. 1745- 1777). Van zijn derde zoon Benedetto is geen geboortejaar bekend.

Michel Angelo bracht het perfectionisme van Amati/Stradivari en de geïmprovisserde vrijheid van Guarneri bij elkaar

Enkele deuren verwijderd van de Bergonzi’s, stond het huis met atelier van Guarneri del Gesù en iets verderop dat van Vincenzo Ruggeri. Michel Angelo werd aangetrokken door het vrijere en meer geïmproviseerde werk van Guarneri del Gesù, zijn vader door de meer formele vormen van Ruggeri.

Toen Carlo in 1747 overleed, bleef Michel Angelo alleen in Casa Stradivari wonen en werken. De gereedschappen van Stradivari gebruikte hij bij het bouwen van zijn eigen instrumenten, zoals ook zijn vader had gedaan. Doordat hij zich een groter vrijheid veroorloofde dan Carlo, werd zijn werk lange tijd ten onrechte als inferieur aan dat van zijn vader beschouwd.

Michel Angelo stierf in 1758. Hij had de twee belangrijkste richtingen in Cremona, het perfectionisme van Amati/Stradivari en de geïmproviseerde vrijheid van Guarneri bij elkaar gebracht.

Contrabas Michel Angelo Bergonzi. Afbeelding met dank aan Museo della Musica, Venetië

Werk en invloed van Michel Angelo Bergonzi

Michel Angelo nam twee verschillende modellen aan voor zijn violen; één groot model, gebaseerd op de grootste Stradivari ‘B’-vorm en een kleiner, afgeleid van dat van zijn vader. In beide typen legde hij een stekte individualiteit waarmee hij zich, zelfs als het later de artistieke kwaliteiten mist, van anderen onderscheidt. Bijzonder gewild zijn zijn bassen die bekend staan om hun prachtige kwaliteit, de kracht van het geluid en om de fijne afwerking.

Uit het feit dat Michel Angelo in 1744 een viool bouwde die nog tot voor kort als een Del Gesù werd geïdentificeerd, kan zijn nauwe relatie met deze bouwer opgemaakt worden. Het is een stilistische overeenkomst met Del Gesù die Michel Angelo het grootste deel van zijn loopbaan vol zou blijven houden.

Rond 1750 ontwikkelde Michel Angelo zelf een aantal consistente stilistische en esthetische opvattingen. Zijn relatief hoge, afgeronde vorm van het bovenblad laat hij contrasteren met het lage, afgeplatte werk van de latere Del Gesù. De f-gaten in zijn vroege werk zijn een kruisbestuiving tussen Guarneri en zijn vader; ze zijn steil gebogen en wijd uitgesneden.

Materiaalkeuze

Michel Angelo gebruikte hout van de inheemse Italiaanse esdoorn. Dat was dichter van structuur, maar minder gevlamd dan het geïmporteerde hout dat meestal wordt geassocieerd met de instrumenten uit de periode tussen 1710 en 1720. Het was goedkoop maar door zijn natuurlijke dichtheid in akoestisch opzicht niet minder. Materiaalkosten hebben, zeker in de tijd dat het met Cremona minder goed ging, een rol gespeel. Er is minstens één Michel Angelo Bergonzi-viool bekend met een achterblad van beukenhout. Aan de kwaliteit van het bovenblad deed hij echter geen enkele concessie.

Label Michel Angelo Bergonzi. Afbeelding met dank aan Museo della Musica, Venetië.

Zijn vernis leek aanvankelijk erg op dat van Stradivari, maar later koos hij voor lak die in Venetië, opnieuw oplevend als centrum van vioolbouw, meer voorkwam. Het was dikke lak, rijk aan pigment en gemaakt van zachte oliesoorten. De viool van Michel Angelo Bergonzi die het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, is rond 1750 door hem gebouwd, maar veertig jaar later door zijn neef Carlo (II) Bergonzi (1758–1838) van een ander bovenblad voorzien.

De laatste Bergonzi

Als laatste vioolbouwer van familie Bergonzi, erfde Carlo (II) Antonio Lorenzo het familiebedrijf in 1804 van zijn vader Zosimo (ca. 1725–1777), de broer van Michel Angelo. Carlo II bouwde zelf een groot aantal instrumenten, maar legde zich halverwege zijn loopbaan toe op het restaureren van meesterinstrumenten. Over hem schreef Cozio di Salabue (1755–1840) in 1816 dat hij daarin één van de besten van zijn tijd was. Carlo's eigen violen en altviolen zijn uiterst zeldzaam. Zijn vroegst bekende instrument dateert uit 1780.

Bronnen

  • Reuning Ch., 2010, Carlo Bergonzi, Alla scoperta di un grande Maestro, Cremona.

  • Rosengard D., 2010, Carlo Bergonzi and his son, Cremona.

  • Reuning C. H., 2007,Consorzio Liutai Antonio Stradivari, Cremona.

  • Brandon Frazier, 2007, Count Cozio di Salabue, Memoirs of a Violin Collector.

  • Gindin D. en Rosengard D., 2002, The Late Cremonese Violin Makers , Cremona.

  • Dilworth J., The Strad, vol. juni 1995, Cremonese Mistery Man.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
12 mei 2020