
viool
Noa Eyl

*1747 , Neurenberg †1808 , Neurenberg


Detail kadastrale kaart Neurenberg rond 1800, met Gostenhof duidelijk zichtbaar buiten de stadsmuren van Neurenberg. Wikimedia Commons
Martins vader had handig gebruik gemaakt van de situatie. Buiten de stadsmuren golden nauwelijks regels, ook niet die waar vioolbouwers binnen de muren aan moesten voldoen. Samen met Martins moeder was Leopold na zijn verbanning een werkplaats begonnen waar zij samen instrumenten bouwden naar modellen van Stainer, maar ook naar Leonhard Maussiell. Maussiell, een leerling van Sebastian Schelle (1676-1745), genoot grote bekendheid en naar zijn violen was erg veel vraag. Deze begon enkele rechtszaken tegen Leopold die nog jaren sleepten maar die Maussiell nooit won. In 1752 werd hun tweede kind, Gallus Ignatius geboren.
Neurenberg telde zo’n 30.000 inwoners waarin ‘niemand te vinden was die niets van muziek afwist of die geen instrument kon spelen’. Voor vioolbouwers was er werk in overvloed, maar streng gereglementeerd. Net als Maussiell had ook Leopold het vak van vioolbouwer geleerd van Barbara Schelles vader, Sebastian Schelle, die in Neurenberg een vooraanstaande bouwer was van theorbes, luiten, een klein aantal violen en een enkele contrabas. Leopold maakte deze instrumenten ook, maar de meeste instrumenten die zijn overgebleven zijn violen en cello’s. Hij wordt nu beschouwd als de een van de beste Duitse vioolbouwers van zijn tijd. Die erkenning kreeg hij bij leven in Neurenberg niet, zo blijkt uit de correspondentie met de leden van de gemeenteraad van Wenen. Daar had hij voor zijn komst naar Neurenberg enkele jaren gewerkt. Toen Martin 10 was, begon zijn vader de briefwisseling die bijna twee jaren duurde en waaruit blijkt dat hij terug naar Wenen wilde omdat hij in Neurenberg de erkenning niet kreeg die hij verdiende. Uit de brief bleek ook dat hij een geletterd man was die zichzelf en zijn zonen een plaats gunde onder de goede Weense bouwers. Ondanks zijn twee goed geformuleerde pleidooien werd dat hem niet toegestaan.
Jacob Stainer
Martin, Gallus en zijn negen jaar jongere broer Veit Anton leerden het vak van hun vader. Martin bouwde instrumenten in diens stijl en met vergelijkbare zorgvuldigheid, maar gebruikte een wat mindere kwaliteit lak. In Leopolds tijd waren de violen van Jacob Stainer overal in Europa in zwang. Ook Martin Widhalm maakte zijn violen naar deze bouwer: hoog gewelfd en met vergelijkbare karakteristieken. De populariteit van de instrumenten die naar Stainer gebouwd waren nam tijdens Martins loopbaan in heel Europa geleidelijk af en de vlakkere Italiaanse modellen zoals die van Stradivari kwamen door de veranderende muziekstijl in zwang. Desondanks bleef Martin tot 1799 voornamelijk zijn oude model bouwen. De f-gaten sneed hij met grote trefzekerheid, maar ze stonden vaak niet helemaal symmetrisch in het vlak. De breedte daarvan varieerde ook. Gallus bleef bij Martin en zijn moeder werken, Veit Anton vertrok uit Neurenberg en ging bij Buchstetter in Regensburg werken.
De kwaliteit van het hout dat Leopold had gebruikt was, op de eerste jaren na hun verbanning na, uitstekend; goed klankhout voor het bovenblad en mooi gevlamd esdoorn voor de rest. Dat gold ook voor de instrumenten van Martin. Al zijn instrumenten gaf hij een ‘schaduwing’ mee waaronder hij vaak nog afdrukken van gereedschap liet staan, net als op enkele plaatsen aan de binnenzijde. Toen Martins vader in 1776 overleed, ging zijn moeder verder met Martin en zijn broer Gallus Ignatius (1752–1822). In 1781 overleed Barbara en zette Martin de zaak samen met Gallus voort. Zijn vader had een grote productie en Martin deed weinig voor hem onder. Van Martin zijn alleen violen, enkele altviolen en cello’s bekend.
De lak varieert van oranje-geel tot rood-bruin.
Zijn etiket luidt: "Leopold Widhalm Lauten und Geigenmacher in Nürnberg, fecit A 1784.”, en hij brandde zijn initialen aan de binnenkant.
Tarisio, Cozio archive, bezocht 2024.
Klaus M., 1996, Leopold Widhalm und der Nürnberger Lauten- und Geigenbau im 18.
Jahrhundert. Instituts für Kunsttechnik und Konservierung im Germanischen Nationalmuseum, Frankfurt am Main.
Sebastian Kirsch, Klaus Martius, Ein Geigenbauer im „Irrthum“. Leopold Widhalms Niederlassungsversuch in Wien.
Gustav O., „Wiens Gewerbe, Zünfte und Manufakturen an der Wende vom 17. zum 18. Jahrhundert“, in: Wiener Geschichtsblätter 42 (1987).