Doorgaan naar content
bouwer

Marino Capicchioni

*1895 , Santa Mustiola      †1977 , Rimini

”Dit is de beste viool in de hele wereld” zei David Oistrach nadat hij lang op een geleend instrument van Marino Capicchioni had gespeeld. Kort daarna bestelde hij er twee, één voor zichzelf en één voor zijn zoon Igor. Van deze geniale bouwer behoren nu vier instrumenten tot de vaste collectie van het nationale Stradivari Museum in Cremona.

Capicchioni werd geboren in de kleine republiek San Marino. Het gezin waar hij uit kwam, bestond uit zeven kinderen waarvoor zijn vader als timmerman het brood verdiende. Ten tijde van Marino Capicchioni’s jeugd bestond de muziekcultuur in het staatje voornamelijk uit een aantal fanfarecorpsen en een militaire kapel. Vioolbouwers waren er niet. Waar Capicchioni zijn vroegste kennis over de vioolbouw vandaan had, is nooit achterhaald, maar rond zijn twintigste bouwde hij al zijn eerste instrument. Zijn muziekopleiding ontleende hij aan de kapel waar hij een blaasinstrument speelde.

Na kort in Frankrijk gewerkt te hebben, vestigde hij zich in het Italiaanse Rimini. Daar begon zijn eigenlijke loopbaan pas. Rimini had een redelijk actief muziekleven. De vraag naar reparaties en nieuwe instrumenten gaf hem voldoende werk om van te bestaan. De doorbraak in zijn loopbaan kwam toen hij in 1937 op de Cremona-tentoonstelling twee prijzen won. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in San Marino en in 1945 keerde hij terug naar Rimini. Tegen het begin van de jaren vijftig was Capicchioni's carrière vergelijkbaar met die van zijn beste tijdgenoten. De kwaliteit van zijn werk had in 1952 zijn hoogtepunt bereikt en dat zou tot kort voor zijn dood in 1977 zo blijven.
Werkplaats(en)
Rimini, 1928-1940
San Marino, 1940-1945
Rimini, 1945-1977

Zijn werk is gebaseerd op de grote Cremonese vioolbouwers. Bij elkaar heeft Marino Capicchioni naar schatting 700 instrumenten gebouwd, waarvan 350 voor 1952. Niet alleen David en Igor Oistrach maar ook Yehudi Menuhin en veel andere grote musici bestelden bij Marino Capicchioni instrumenten en bleven daar hun hele leven op spelen. Ook nu nog zijn ze erg gezocht.

Leven en loopbaan

Toen Marino Capicchioni in 1895 geboren werd, waren de ingrediënten voor een toekomst als vioolbouwer niet aanwezig in het kleine staatje San Marino. Het had geen enkele vioolbouwer voortgebracht; het muziekleven draaide voornamelijk om kerkkoren, een paar fanfareorkesten en de militaire kapel. De bevolking had het druk met het bebouwen van de berghellingen waaruit het 13 km lange staatje bestond. Handel, industrie of kunst kwam er nauwelijks voor.

Marino’s vader, Bernardo Capicchioni was timmerman en kuipmaker in Santa Mustiola en in de omringende dorpen die aan de voet van de Monte Titano lagen, de berg die het grootste deel van het staatje in beslag nam. Zijn zoon noemde hij naar de vroegst bekende Capicchioni die al in 1485 in de archieven van San Marino voor kwam en ook timmerman was geweest: Marino.

Marino’s opleiding bestond uit weinig meer dan wat zijn vader hem kon leren. Tot zijn twintigste werkte hij met hem samen, eerst als timmerman en houtsnijder, later als meubelmaker. Hij had belangstelling voor snaarinstrumenten, maar omdat er in de omgeving geen orkest was, speelde hij saxofoon in de militaire kapel die enkele keren per week in vol ornaat door de straten van San Marino paradeerde. Als houtbewerker was hij betrekkelijk eenvoudig in staat gitaren te maken. Met die bezigheid vulde hij een deel van zijn vrije tijd.

Rond zijn twintigste brak de eerste wereldoorlog uit. San Marino bleef neutraal, maar het omringende Italië verklaarde in 1915 de oorlog aan Oostenrijk en Duitsland. In San Marino lag de economie stil en naar de verhalen in de familie maakte Marino van de gelegenheid gebruik om zijn eerste viool te bouwen. Zijn handigheid had hij bewezen door al jong instrumenten te repareren.

De violen die hij in de eerste jaren bouwde waren nog uiterst eenvoudig en hadden iets weg van de stijl zoals die in de streek tussen Bologna en Rimini voorkwam. Een paar jaar bleef hij zijn oude professie uitoefenen, maar werkte in de tussentijd hard om zijn violen te verbeteren. In 1923 vond hij zich goed genoeg om zijn violen tentoon te stellen op een plaatselijke handelsbeurs. Een zilveren medaille en een diploma van verdienste ontving hij voor die inzending.

Die waardering bevestigde hem in zijn overtuiging dat hij van de vioolbouw zijn beroep kon maken. In 1923 schreef hij zich officieel in als vioolbouwer, maar daarvan leven kon hij nog niet, zijn oude vak moest hij nog blijven uitoefenen. Het jaar daarop trouwde hij met Antonia Stacchini. Hun eerste kind, Mario werd geboren in 1928.

Waar Marino Capicchioni zijn fascinatie voor strijkinstrumenten vandaan heeft, blijft gissen. Wel stond San Marino al eeuwen bekend als toevluchtsoord voor vluchtelingen. Rond de twintiger jaren vonden ongekend wrede pogroms in heel Oost-Europa plaats. De familie Donati maakte zich sterk voor het opvangen in San Marino van Joodse musici die gevlucht waren uit Oost-Europa. Het enige dat zij op hun vlucht mee konden nemen was hun viool.

Tijdens de Grote Depressie, de economische crisis die in ook San Marino hard toesloeg, zocht Marino Capicchioni zijn heil in Noord-Frankrijk, waar hij in 1928 bij zijn neef introk. Hij werkte kort in een fabriek waar muziekinstrumenten werden gemaakt en nog korter in het bouwbedrijf van zijn broer, maar keerde in 1929 alweer terug naar San Marino. Het korte avontuur had zijn ambitie om vioolbouwer te worden niet weggenomen. In tegendeel; hij vestigde zich in Rimini, een kleine 30 km verwijderd van San Marino en opende daar een eigen zaak.

Rimini was een welvarende middengrote stad en had een redelijk actief muziekleven met het -net gerestaureerde- Teatro Vittorio Emanuele II als middelpunt. Het was een monumentaal gebouw, gebaseerd op de klassieke Grieks-Romeinse architectuur dat zich met ruim duizend stoelen en een goede programmering kon meten met belangrijke Europese theaters uit die tijd. Rimini was in opkomst als badplaats voor rijke Italianen. Zij zorgden voor voldoende inkomsten om de stad, in tegenstelling tot de vaak armoedige Italiaanse grote steden, een chique imago te geven.

Kort nadat Marino Capicchioni zich in Rimini had gevestigd, ontmoette hij de cellist en chemicus Bernardino Graziani. Deze leerde hem de beste harsen en vernissen samen te stellen en naar het hout te luisteren om zo de klank van een instrument te verfijnen. Marino Capicchioni nam weinig deel aan het sociale leven, maar trok zich terug om verder onderzoek te doen naar wat de klank van strijkinstrumenten beïnvloedde. Het resultaat was opmerkelijk; in 1931 deed hij weer mee met een wedstrijd. Dit keer met de nationale beurs voor vioolbouw die in Padua gehouden werd. Daar won hij een gouden medaille. Wedstrijden stimuleerden hem kennelijk, want in de daarop volgende twee jaren nam hij aan meerdere evenementen deel.

In 1933 werd zijn tweede zoon, Luciano, geboren die later professioneel violist zou worden.

Het hoogtepunt bereikte Capicchioni in 1937. In dat jaar nam hij deel aan het meest prestigieuze evenement ter wereld op zijn vakgebied: het concours voor vioolbouw in Cremona. Met meer dan 300 instrumenten dongen 119 andere Italiaanse vioolbouwers mee naar een prijs. Marino Capicchioni won er twee; de derde prijs voor een viool en een tweede prijs voor een heel kwartet. Nog niet eerder in de geschiedenis van de vioolbouw was het voorgekomen dat een autodidact in Cremona zoveel erkenning kreeg.

Drie jaar na dit succes brak de tweede wereldoorlog uit. De Capicchioni’s gingen terug naar San Marino dat neutraal bleef. Het kleine land bood tienduizenden meest joodse vluchtelingen onderdak. Tijdens de vijf jaar in San Marino zag Capicchioni kans om productief te blijven. Gindin e.a. zijn van mening dat de instrumenten uit die tijd niet onderdoen voor zijn latere werk. Zijn zoon Mario leidde hij zelf op. Vanaf 1943 werkte Mario mee in het atelier.

Direct na het beëindigen van de oorlog keerde Marino met zijn gezin terug naar Rimini. Tijdens de oorlog had een front dwars door de stad gelopen en was Rimini als enige Italiaanse stad het slagveld geweest van hevige bombardementen. Na 1943 was er vrijwel niemand meer in de stad achtergebleven. Van alle gebouwen en wegen was 80% vernietigd. Hele wijken hadden plaats moeten maken voor vestingwerken en mijnenvelden. Na de oorlog betaalden burgers nog lange tijd een hoge tol door landmijnen en niet-ontplofte bommen die in en om de stad achter waren gebleven. Van de welvarende stad was weinig meer over.

Bij terugkeer moesten Marino en Mario Capicchioni de zaak eerst weer in orde brengen alvorens verder te kunnen met hun werk. Desondanks lukte het Marino om minder dan vier jaar later voor de tweede keer een instrument te presenteren op de Internationale vioolbouw tentoonstelling in Cremona waar hij in 1939 zo’n succes had geboekt. Het was een altviool die hij in 1947 gebouwd had. Met de altviool won hij een zilverren medaille.

Tegelijkertijd werd een kwartet van hem aangekocht ten behoeve van het Nuovo Quartetto Italiano (het latere Quartetto Italiano). De leden van het kwartet spraken keer op keer hun bewondering uit over het Capicchioni geluid. Vanaf dat moment ontving hij opdrachten uit binnen- en buitenland. Hij werkte dagelijks tien uur, vaak ook in het weekend.

In 1961 liet Yehudi Menuhin een viool door Marino Capicchioni bouwen. Een bijzondere opdracht, daar Menuhin alleen de beste violen ter wereld wilde hebben (Steiner). Toen hij zijn viool bestelde, bespeelde Menuhin een Stradivari en een Guarneri del Gesù. De langdurige vriendschap die daarna tussen beiden ontstond ging gepaard met een uitvoerige briefwisseling. Die laat goed zien hoe volledig de beide mannen zich aan de muziek gewijd hadden: Menuhin aan de uitvoeringspraktijk en Capicchioni aan instrumenten.

De rest van zijn leven bleef Marino Capicchioni zijn instrumenten in een opmerkelijk hoog tempo bouwen tot hij in 1977 stierf. Zijn zoon Mario zette de zaak na zijn dood voort. Wel was Mario al vanaf het begin van de jaren 50, onafhankelijk van zijn vader, instrumenten gaan bouwen en behaalde daarmee talloze prijzen. Later nam zijn zorgvuldigheid echter zichtbaar af.

Gindin verwoordt Marino Capicchioni’s carrière zo: ‘het is een episch succesverhaal van een selfmade man.’

Werk en invloed

In de omgeving van San Marino was er geen vioolbouw van enige betekenis. Wel waren er in Romagna, de streek tussen San Marino en Bologna een paar landarbeiders die in de wintermaanden instrumenten maakten. Door zijn ligging was Romagna op het gebied van de vioolbouw ver achtergebleven bij Padua, Bologna of noordelijker steden. Marino Capicchioni’s allereerste instrumenten lijken wat op de provinciale instrumenten uit de Romagna, maar anders dan bij de meeste uit de streek laten ze zien dat hij talent had.

Rastelli (2020) ziet Bologna als de meest waarschijnlijke plaats waar Marino Capicchioni de stimulans om vioolbouwer te worden gehaald heeft. Het lag maar 30 km verwijderd van San Marino en was eenvoudig te bereiken via goede wegen die de steden met elkaar verbonden. Bologna had een rijke historie op het gebied van de vioolbouw. Het was bovendien het centrum van de streek Emilia-Romagna waar de vioolbouwkunst zich tot een eigen school ontwikkeld had. Als een van de oudste Europese universiteitssteden trok het jonge mensen aan. Ook muziekstudenten die kwamen studeren aan de Accademia Filarmonica, het conservatorium van Bologna dat een goede vioolopleiding bood. Het muziekleven bloeide en er werkten naast een aantal kleinere vioolbouwers ook grootheden als Augusto en Gaetano Pollastri, de energieke Ansaldo Poggi en Armando Monterumici die de werkplaats van Raffaele Fiorini had overgenomen.

Marino Capicchioni heeft bij geen van de bekende Bolognese vioolbouwers een opleiding gevolgd. Toch moet aangenomen worden dat hij veel kennis daar vandaan heeft gehaald. Het Palazzo Pepoli Vecchio, waar de werkplaats van de vioolbouwer Armando Monterumici zich in bevond, was het centrum voor cultuur. En al sinds Raffaele Fiorini daar begonnen was, werd het druk bezocht door geïnteresseerde vioolbouwers uit de hele streek. Het was de plek bij uitstek waar kennis over het vak werd uitgewisseld en nieuwe ideeën werden opgedaan.(Blot). Rastelli en Gindin betogen dat Marino Capicchioni desondanks voornamelijk autodidact was en het zijn genialiteit en doorzettingsvermogen waren die hem tot een groot vioolbouwer maakte.

Zijn werk uit de twintiger en begin dertiger jaren laat zien dat hij voortdurend op zoek was naar verbeteringen op technisch en stilistisch gebied. Het was goed, geïnspireerd door de klassieke bouwers uit Cremona, maar een eigen persoonlijkheid zat er nog niet in. Pas rond 1935 had hij een onderscheidende kijk op het Stradivari-model ontwikkeld. Dit was de voorloper van het uiteindelijke model dat Capicchioni vanaf de jaren ’40 nog lang zou gaan gebruiken. Het had een iets smallere onderkant en een vloeiende omtrek. Alle verhoudingen had hij zo ontworpen dat de toonprojectie optimaal was. (Gindin) De f-gaten stonden in de jaren dertig nog rechtop, maar later zette hij ze iets scheef in het vlak. Opvallend is zijn randinleg. Die mist in veel gevallen de kenmerkende puntige uitloop in de hoekpunten.

Hij gebruikte geen lokaal gevonden hout, maar hout dat uit de hogere streken kwam, goed gevlamd en met een regelmatige structuur. Om de vlammen te kunnen accentueren behandelde hij het hout met een techniek die hij zelf ontwikkeld had (Villa). Zijn instrumenten werkte hij daarna meestal af met een goud-gele lak.

De jaren dertig leverden enkele uitstekende instrumenten op, maar Capicchioni’s beste en meest herkenbare instrumenten dateren uit de vroege jaren 40 tot het halverwege de jaren 60. In deze periode zijn de meeste violen vaag gemodelleerd naar Guarneri 'del Gesù’.

Zijn productie lag hoog; zelf bouwde hij tussen de 10 en 15 instrumenten per jaar en later nog meer. Nadat zijn zoon hem in 1943 begon te assisteren, produceerden ze samen honderden instrumenten, allemaal onder Marino's naam.

Vanaf 1953 begon Capicchioni zijn instrumenten van een brandmerk te voorzien: 'M. Capicchioni-Rimini '. Op zijn etiket staat: ‘Marinus Capicchioni/Fecit Arimini A.D. 19..’. Capicchioni had verschillende mallen voor zijn instrumenten. Voor zijn violen en altviolen gebruikte hij een buitenmal waar hij zijn instrument tegenaan bouwde, terwijl de cello's over het algemeen zijn gebouwd om een binnenmal zoals die van Stradivari.

Een apart hoofdtuk is Capicchioni’s ‘Tertis’ avontuur. De Engelse altviolist Lionel Tertis had tien jaar gewerkt aan het ontwikkelen van een altviool die op één lijn kon worden gesteld met de beste viool en cello. Hij had daarvoor een vrij kleine Montagnana altviool gekozen die hij zodanig modificeerde dat het instrument, ondanks zijn geringe formaat toch een krachtig, vol geluid voortbracht. Marino Capicchioni zag in Lionel Tertis een geestverwant in zijn eigen zoektocht naar de perfecte klank en bouwde in 1974 enkele Tertis altviolen. De Tertis altviolen en cello’s die Capicchioni bouwde waren in Engeland en Amerika een succes, maar in Europa niet. Vooral bij de Italiaanse bouwers was het model, dat een opvallend brede onderkant had, vaak onderwerp van spot. Ansaldo Poggi, zijn Bolognese tijdgenoot, meende later aan de hand van deze modellen te kunnen concluderen dat Capicchioni maar weinig benul had van de Cremonese traditie. Voor Capicchioni was speelbaarheid en klank echter veel belangrijker dan uiterlijk en hij bouwde meerdere Tertis instrumenten.

Marino Capicchioni was een productieve bouwer. In 1952, een kleine 30 jaar nadat hij begonnen was, had hij al 350 violen, 10 altviolen en 20 cello's gebouwd (Vannes). In totaal hebben meer dan 700 instrumenten de werkplaats van Capicchioni verlaten, waardoor hij ‘een van de meest productieve vioolbouwers aller tijden is’ (Villa). Ansaldo Poggi voltooide minder dan 400 instrumenten in ongeveer 60 jaar en aan Stradivari worden 650 instrumenten toegeschreven.

Het NMF heeft vier instrumenten van Marino Capicchioni in de collectie. Een cello uit 1964 en een viool uit 1966, beide in eigendom. Een viool uit 1943 is in bruikleen, evenals een altviool uit 1965. De viool uit 1943 is bijzonder omdat Capicchioni deze tijdens de oorlog in San Marino heeft gebouwd. De andere drie geven een mooi overzicht van wat Marino Capicchioni in zijn latere periode heeft gebouwd.

Bronnen

  • Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.

  • Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.

  • Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna, Cremona.

  • Strocchini, G. , 2015, Liutai Romagnoli, Cremona.

  • Piccolellis de, G; 2007, Fiorini, Liutai antichi e moderni, Bologna.

  • Giordano, A., 2003,”Cesare Candi liutista", Cremona.

  • Maragi, M, 2000, Cincquecento anni del Monte di Bologna, Bologna.

  • Vannes R., 1985, Dictionnaire Universel des Luthiers. Brussel.

  • Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making.

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht in 2021.

  • Geneanet, bezocht in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
15 februari 2021