Doorgaan naar content
bouwer

Lockey Hill

*1756 , Londen      †1797 , Londen

Bij kenners is de naam Hill altijd al synoniem geweest voor exclusiviteit en betrouwbaarheid op het gebied van vioolbouw. De familie geniet nog steeds een onaantastbare naam in hun vakgebied. Lockey Hill, zoon van de grondlegger van deze dynastie, voldeed niet helemaal aan dit beeld. Vanwege de vele onenigheden onterfde zijn vader hem. Zijn levensloop werd later op last van de familie herschreven in een poging om de schande van zijn veroordeling tot de strop te maskeren. En met succes; nog steeds wordt de datum van Lockey’s dood vaak onjuist vermeld.

Lockey Hill was de jongste van de vijf zonen van de vioolbouwer Joseph Hill waarvan er vier hetzelfde vak als hun vader hadden gekozen. Joseph Hill was een gerespecteerde vioolbouwer in London. Drie zonen bleven, nadat ze bij hun vader het vak hadden geleerd, dicht bij het werk van hun vader in de buurt.

Lockey Hill onderscheidde zich van hem doordat hij iets ruwer werkte, dunnere lak gebruikte en zijn instrumenten vaak zonder een echte randinleg liet. De klank van zijn instrumenten was over het algemeen uitstekend. Lockey bouwde instrumenten die gebaseerd waren op Stainer en Amati waarvoor hij een brede afzet had op de Londense markt.
Werkplaats(en)
Londen, 1774-1795

Londen raakte in de ban van de Italiaanse opera. Talloze Italianen trokken naar Londen waardoor musici kennis konden nemen van Italiaanse instrumenten. Ook Lockey veranderde, door de veranderende smaak, geleidelijk van stijl: die werd meer Italiaans.

Lockey Hill werkte voor verschillende vioolbouwers in Londen, waaronder Longman & Broderip. Toen deze failliet gingen, verloor Lockey een belangrijk deel van zijn inkomen. Kort daarna werd hij betrapt op het stelen van een paard, waarna hij op bevel van de rechter werd opgehangen.

Zijn zoon Henry Lockey Hill ontwikkelde zich tot een uitstekende bouwer en zette de familietraditie voort. Het waren weer zijn zonen die het bedrijf verder hebben opgebouwd tot de hedendaagse vermaarde firma W.E. Hill & Sons.

Leven en loopbaan

De firma Hill werd al in 1874 door de violist en kenner Henley ‘de meest betrouwbare in de hele wereld’ genoemd en sindsdien is de Hill-dynastie uitgegroeid tot weinig minder dan een instituut op hun vakgebied. Ondanks het feit dat de geschiedenis enkele ferme uitspraken van de Hills heeft bijgesteld, blijft Hill ook bij hedendaagse experts vrijwel onaantastbaar.

In een van zijn dagboeken schreef Samuel Pypes in 1660 dat er in Londen een vioolbouwer werkte met de naam Joseph Hill. Pypes’ dagboeken worden door historici over het algemeen als een betrouwbare bron beschouwd, maar meer dan die vermelding in zijn dagboeken is er over deze eerste Joseph Hill niet bekend. Vannes neemt Pypes serieus en noemt deze vioolbouwer Joseph Hill I, maar veel anderen houden het erop dat de Joseph Hill die geboren werd in 1715, de echte stamvader van de Hill-dynastie is.

Dankzij het feit dat de Londense archieven rond 1700 beter werden bijgehouden dan voor die tijd, is er over deze Joseph Hill meer bekend. Hij werd geboren in 1715. Op zijn vroegst bekende etiket in 1753 staat dat hij werkte op "High Holborn" in Londen, maar hij was al in 1746 vanuit zijn geboorteplaats Alvechurch naar Londen gekomen. Daar opende hij in Piccadilly een werkplaats met de naam “Ye Harp and Hautboy”.

Drie jaar nadat Joseph zich op ‘High Holborn’ had gevestigd werd Lockey Hill geboren. Joseph had toen al drie zoons, waarvan de oudste elf was. Een jaar na Lockey kwam er nog een zoon. Hij was de enige die geen vioolbouwer werd.

Na enkele malen verhuisd te zijn, vestigde Joseph Hill zich in 1762 definitief op de Haymarket, waar hij zijn werkplaats ”at the sign of the Harp and Flute” noemde. De vier zonen van Joseph Hill werden hier door hem opgeleid.

Voor een vioolbouwer was de Haymarket een uitgelezen plek. Het lag in West End dat al sinds de helft van de zeventiende eeuw hét uitgaansdistrict van Londen was. Het ‘King’s Theatre’ lag eveneens aan de Haymarket. Tussen 1710 en 1745, waren in dit theater de meeste opera’s en enkele oratoria van George Frederic Handel in premiere gegaan. In het King’s werden daarnaast in 22 seizoenen 112 opvoeringen van verschillende opera’s uitgevoerd.

De Haymarket waar Hill’s zaak aan lag, was geen goedkope lokatie, want als een van de weinige Londense straten was de weg geplaveid. En daar moest door de huurders en handelaren belasting voor betaald worden.

Enkele jaren later verwoestte een brand een aantal houten huizen in de Haymarket, waarbij ook Hills werkplaats werd platgelegd. Daardoor gingen al zijn instrumenten en een deel van de houtvoorraad verloren. Hij herbouwde de werkplaats en noemde die van 1773 to 1776 'Joseph Hill & Sons’. Zelf bleef hij daar tot 1780 alleen doorwerken. Over hem zou zijn kleinzoon Henry Lockey Hill zeggen: ‘Ofschoon zijn instrumenten niet van het hoogste niveau waren, kregen zijn cello’s en contrabassen terecht veel waardering.’

In 1772 trouwde Lockey Hill met Joanna Wish en zij kregen in 1774 hun eerste kind: Henry Lockey. In de periode tussen zijn huwelijk en de geboorte van zijn zoon waren de regelmatig terugkerende onenigheden met zijn vader zo ver opgelopen dat Lockey bij ‘Hill and Sons’ vertrok. Hij was de laatste; zijn andere broers waren al zelfstandig geworden.

Lockey verhuisde naar Ludgate Hill en ging daar werken voor James Longman. Longman was geen vioolbouwer, maar een handelaar in instrumenten die in 1767 in Cheapside, enkele straten van Ludgate Hill verwijderd, begonnen was. Cheapside, dat voorheen voornamelijk bevolkt werd door handelaren, was sterk in opkomst en stond op het punt om één van de belangrijkste straten in Londen te worden. Longman had, sinds hij begonnen was, verschillende partners versleten. In 1775, een jaar nadat Lockey Hill voor hem was gaan werken, ging hij opnieuw een samenwerking aan. Dit keer met Francis Broderip, uitgever van muziekboeken en partituren. Deze samenwerking werd erg succesvol en duurde bijna twintig jaar.

De onenigheden met zijn vader leken even bijgelegd te zijn ten tijde dat Lockey en Joanna hun tweede zoon kregen. Die werd eind 1776 geboren en kreeg bij zijn doop, die in St Martin Ludgate plaatsvond, de naam Joseph.

Longman & Broderip groeide in korte tijd uit tot een belangrijke firma in muziekinstrumenten, uitgevers van muziekboeken en handel in oude instrumenten. In hun werkplaats werden alleen piano’s gebouwd; hun strijkinstrumenten werden geleverd door verschillende vioolbouwers die voor zichzelf of ergens anders werkten. Die bouwers waren onder anderen Henry Jay, David en James Furber, Benjamin Banks én Lockey Hill. Ook na de fusie bleef Lockey voor Longman & Broderip instrumenten bouwen. Zij deden buitengewoon goede zaken want in 1782 konden zij naar de Haymarket verhuizen, vlak bij Joseph Hill waar Lockey begonnen was.

Lockey’s broer Joseph II had het bedrijf van hun vader, die in 1780 gestopt was, op dezelfde locatie voortgezet. Joseph Hill I stierf in 1784. Bij de opening van het testament bleek hij Lockey uit zijn testament te hebben geschrapt.

Vanaf 1770 groeide de populariteit van de Italiaanse opera sterk in Londen. De theaters zaten vol en de elite organiseerde daarnaast ook veel privé-uitvoeringen waar soms honderden mensen voor uitgenodigd werden. Die voorkeur bracht ook Italiaanse instrumenten onder de aandacht van de Londense musici en die werden buitengewoon populair. Toen de Italiaanse vioolbouwer Vincenzo Panormo in 1772 in Londen arriveerde, werkten er al honderden Italianen in de stad. Panormo vestigde zich in Soho en bood zijn instrumenten aan de Londense handelaren aan. Zijn invloed op de vioolbouw in Londen groeide in de loop van de jaren zodanig dat geen vioolbouwer in Londen om hem heen kon.

Dat Lockey Hill Parnormo’s instrumenten gezien heeft is meer dan waarschijnlijk. De Italiaan adverteerde in de Londense kranten en had direct een enorm succes met zijn instrumenten. Lang duurde zijn verblijf in Londen niet. In 1778 laaide een virulent anti-katholiek geweld in de stad op en zag Panormo zich genoodzaakt om uit Engeland te vertrekken. Panormo’s Italiaanse instrumenten hadden de modellen van Amati en Stainer, die al tientallen jaren gangbaar waren geweest, echter wel voorgoed verdrongen. Net zoals de meeste Engelse bouwers nam Lockey Hill de Italiaanse stijl later ook over.

De firma Longman & Broderip waar Lockey Hill zijn instrumenten voor bouwde ging na twintig jaar, in 1795 failliet. In dat zelfde jaar werd Lockey betrapt op het stelen van een paard. Wegens dat vergrijp moest hij in december 1795 terechtstaan voor de Old Bailey. Nadat een getuige onder ede verklaard had dat Lockey zich daar al eerder aan had bezondigd, werd hem dat door de rechter zwaar aangerekend. Na schuldig bevonden te zijn werd Lockey Hill ter dood veroordeeld en in 1797 opgehangen.

De familie probeerde deze schande uit de familiegeschiedenis te houden en maakte bekend dat Lockey in 1795 uit Londen was vertrokken. In hun lezing was Lockey, anders dan in werkelijkheid, in 1810 gestorven.

Lockey’s zoon Henry Lockey II Hill (1774-1835) ontwikkelde zich onder anderen bij John Betts, die tot ver buiten Engeland vermaardheid genoot, tot een voortreffelijke vioolbouwer. Hij was bij Betts in de gelegenheid geweest om het werk van Stradivari goed te bestuderen en bouwde zijn eigen instrumenten uiterst zorgvuldig in de stijl van de Italiaanse meester. Henry Lockey’s werk wordt over het algemeen iets hoger gewaardeerd dan dat van zijn vader. Henry Lockey Hill nam het familiebedrijf in 1810 over. Op zijn beurt liet hij de zaak weer aan zijn zonen na.

Werk en invloed

Lockey was een zeer productieve bouwer van voornamelijk cello’s, veel contrabassen en enkele violen, maar het juiste aantal instrumenten dat hij gebouwd heeft is niet bekend. De meeste instrumenten leverde hij aan Londense handlaren en bouwers die hun eigen brandmerk of etiket in zijn instrumenten zetten.

Zeker in het begin lijkt zijn werk erg op dat van zijn vader en leermeester. Later waren ze van diens werk te onderscheiden doordat Lockey een dunnere lak gebruikt, op veel instrumenten de randinleg tekende in plaats van deze in het hout te verwerken en ruwer was in de afwerking. Hij baseerde zich eerst nogal los op Stainer of Amati, bouwers wiens werk in heel Europa in de mode was. Dilworth karakteriseert Lockey’s kopieën van deze bouwers als nogal ‘workmanlike’ en weinig ambitieus, later veranderde dat en werkte Lockey Hill zorgvuldiger en in Italiaanse stijl.

Net als zijn vader bouwde hij veel klein formaat cello’s van aantrekkelijk, mooi gevlamd hout die hij afwerkte met een honingkleurige lak. Voor een klein model is de klank opvallend krachtig. Van Lockey Hill zijn een aantal contrabassen bekend, waarvan de later gebouwde instrumenten Italiaanse invloeden vertonen. Voor zijn bassen gebruikte hij een wat vollere, rood-bruine lak met een hoge glans dan voor zijn cello’s

Op zijn etiket staat: ‘L. Hill violin & violoncello maker, 'Boro London’

Lockey Hill heeft zijn hele leven in centraal Londen, aan de noordkant van de Theems gewoond. Hij werkte tussen 1774 en 1777 in Cheapside, in de wijk Shoreditch vanaf 1778 tot 1780 en daarna in Islington.

De contrabas die het NMF in de collectie heeft is van rond 1790; het is een goed voorbeeld van wat hij in zijn laatste, meest Italiaans georiënteerde periode bouwde.

Bronnen

  • Baker T, Dilworth T & Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.

  • Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen.

  • Harrison R., 1998, The Panormo Family, The Troubadour.

  • Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

  • Westbrook J., 2012, Louis Panormo and His Contemporaries, Cambridge.

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht 2021.

  • Archief van de The Old Bailey, bezocht in 2021.

  • Tarizio, the Cozio archive, Panormo by Anthony Fairfax. 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
1 februari 2021