Doorgaan naar content
bouwer

Karel van der Meer

*1862 , Den Haag      †1932 , Bloemendaal

Het is aan Karel van der Meer te danken dat de wat ingeslapen Nederlandse vioolbouwwereld aan het eind van de negentiende eeuw op kon veren. Zelf maakte hij maar weinig instrumenten; zijn verdienste ligt meer in het feit dat hij veel jonge, getalenteerde bouwers naar Nederland haalde. Hij stimuleerde zijn medewerkers om zich verder te ontwikkelen zonder een model of werkwijze op te dringen. Strijkstokken en instrument uit zijn atelier vertoonden dan ook een grote diversiteit aan stijlen en modellen. Die verscheidenheid was voor hem het passend gevolg van de diversiteit van zijn medewerkers. Zelf was hij autodidact, maar zijn medewerkers waren veelal geschoolde vaklieden. Karel van der Meer begon zijn loopbaan niet als vioolbouwer, maar als violist. Eerst in kleine Amsterdamse gelegenheden om een paar jaar later aangenomen te worden bij het Concertgebouworkest. Daar nam hij wat ontgoocheld vier jaar later weer ontslag.

Bij vioolbouwers die in Duitsland opgeleid waren oriënteerde hij zich op dat vak en begon in Amsterdam en Arnhem een eigen atelier. Onder zijn medewerkers waren de vioolbouwers Josef Fedral sr, Eugène Eberle en Johann Stüber. Als strijkstokkenmaker had Auguste Toussaint al een schat aan ervaring bij grote Franse bouwers opgedaan alvorens hij bij Karel van der Meer ging werken. Gezien de uitstekende strijkstokken van zijn hand, was hij waarschijnlijk wel de meest begaafde strijkstokkenmaker in het atelier. Belangrijk was Paul Max Muller die als chef d’atelier de medewerkers wel een grote mate van vrijheid gunde, maar die ook hoge eisen stelde aan de kwaliteit van hun werk. Paul Max kwam uit St. Petersburg en bracht kennis mee over oude meesterinstrumenten.

Karel van der Meer onderhield een goede relatie met de musici van het Concertgebouworkest die nog lang voor werkgelegenheid zouden blijven zorgen. Hij breidde de zaak, die hij samen met van Roosmalen dreef, uit naar Arnhem en betrok later een groot atelier naast het Concertgebouw. Daar werden instrumenten gebouwd naar de oude meesters uit Cremona. Karel van der Meer beëindigde zijn zaak in de Van Baerlestraat in 1920 en vertrok naar Bussum. Daar bleef hij nog enkele jaar voor zijn dood in 1932 werkzaam. In 1930 deed hij nog mee met een tentoonstelling in Luik. Zijn medewerkers bleven ook na hun vertrek met waardering over hem spreken. Pas later bleek hoe belangrijk Karel van der Meer voor de opleving van de vioolbouwwereld in Nederland was geweest.
Werkplaats(en)
Amsterdam, 1896-1920
Arnhem, 1906-1910
Bussum, 1920-1932
Auteur
Jan Boekhout
Datum
27 oktober 2020