Doorgaan naar content
bouwer

Johannes Ernst Bachmann

*1851 , Amsterdam      †1916 , Groningen

Johannes Ernst Bachmann werd geboren in de Warmoesstraat in Amsterdam waar het gezin woonde en zijn vader een werkplaats had. Vader Johannes bouwde er eerst enkele violen, maar ging zich later steeds meer toeleggen op contrabassen. Hij was geboren in Nieder-Olm, Duitsland en had zich in 1842 in Amsterdam gevestigd. Vijf keer was hij verhuisd voor hij in de Warmoesstraat zijn zaak definitief kon openen. Het beroep ‘instrumentmaker’ vermeldde hij in 1844 toen hij een deel van het huis aan de Sint Agnietenstraat tegenover het Agnietenklooster betrok. Johannes was in 1847 met Louisa Jungen getrouwd en samen kregen ze tien kinderen. Johannes Ernst was de eerste.
Werkplaats(en)
Sneek, 1878-1879
Groningen, 1879-1916

Op muziekgebied voornamelijk Duits georiënteerd

De vioolbouw in Amsterdam was tot het eind van de achttiende eeuw levendig en van groot belang geweest, maar al toen zijn vader zich in de stad had gevestigd, was daar vrijwel niets meer van over. Brahms vond de leden van het Concertgebouworkest in 1879 “liebe Leute, aber schlechte Musikanten". En ook over hun instrumenten was hij niet tevreden. Wel stond al sinds 1825 het strijkkwartetspel onder amateurs op hoog niveau en had de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst groot succes in Amsterdam. Nederland was in het algemeen op muziekgebied Duits georiënteerd. Het Amsterdamse muziekleven volgde het Duitse op de voet met Duitse immigranten die als musici of componisten hiernaartoe waren gekomen. In Amsterdam leek er ruimte genoeg voor nieuwe vioolbouwers.

Kalverstraat 2e helft 19e eeuw. Foto Stadsarchief Amsterdam.

Kalverstraat 2e helft 19e eeuw. Foto Stadsarchief Amsterdam.

Franse invloed op vioolbouw in Amsterdam, maar slechts van korte duur

Wat de vioolbouw betreft, beloofde de komst van de Franse vioolbouwer Louis Bernardel een nieuwe periode in te luiden. Hij was geboren in Mirecourt en naar Parijs gegaan, waar zijn broer Sebastien Bernardel, van wie hij het vak had geleerd, een begrip was. Bernardel was aan de Kalverstraat een zaak begonnen, vlakbij waar later ook Johannes Bachmann enkele jaren lang een zaak zou hebben. Johannes Bachmann heeft Louis Bernardel ongetwijfeld gekend. Bernardel had maar een zeer klein aantal instrumenten gebouwd en was al in 1847 overleden. Wel had hij nog Johan en Gerrit Kok opgeleid die vanaf 1848 waren aangesteld tot ‘Luthiers de la Conservatoire d’Amsterdam’. Johannes Bachmann was de enige die in Amsterdam contrabassen bouwde.

Geen toekomst voor Bachmann meer in Amsterdam

Net aan de overkant, waar het woonhuis van de familie Bachmann stond, was de Warmoesstraat binnen enkele jaren verloederd geraakt. ‘Een aanhoudend, geweldig geraas dat onophoudelijk voortduurt, maar nog erger waren de luidruchtige dronken mannen en vrouwen, van de gemeenst mogelijke soort, die uit de kroegen kwamen. En tot twee uur in den ochtend viel er aan slapen niet te denken’. Daarbij kwam dat de werkeloosheid in Amsterdam enorm groot was geworden, wat leidde tot oproer en geweld op straat. Voor Johannes Ernst was dat geen goede voedingsbodem voor zijn ambities om vioolbouwer te worden.

Hij leerde nog wel van zijn vader de eerste beginselen van het vak, maar vertrok toen naar Duitsland voor een opleiding bij verschillende vioolbouwers bij wie hij ook bleef werken. In 1878 keerde hij terug naar Nederland. In Sneek begon hij een eigen zaak om een jaar later naar Groningen te verhuizen waar hij zich als ‘muziekinstrumentmaker’ in liet schrijven. Zijn zaak stond ingeschreven als 'Algemeene Muziek-Instrument-Piano- en Orgelhandel'.

Thuis in Groningen

Een vioolbouwer was er nog niet in Groningen. En daar was behoefte aan. De Groningse sociëteit ‘de Harmonie’ had in die tijd bijna duizend leden en beschikte over een eigen concertzaal met een uitstekende akoestiek waar wekelijks muziekuitvoeringen werden gegeven. In 1862 had het al een eigen orkestvereniging gekregen die later het Noordelijk Filharmonisch Orkest zou worden. Johannes Ernst deed reparatiewerk aan strijkinstrumenten, bouwde er enkele voor de orkestleden, maar handelde ook in andere muziekinstrumenten. Hij vestigde zich achtereenvolgens op het Zuiderdiep, de Ebbingestraat, Herestraat en ten slotte aan de chique Oude Boteringestraat, niet ver van concertzaal ‘de Harmonie’.

Huwelijksakte van het huwelijk tussen Johannes Ernst Bachmann en Hillechien Wierenga

Kort voor de dood van zijn vader in 1886 trouwde hij in Groningen met Hillechien Wierenga. Twee jaar later kregen ze een dochter. Bij het huwelijk was zijn vader al niet meer aanwezig. Zijn vrouw overleed in 1907. Tot 1916, het jaar waarin hij zelf overleed, kon zij zijn werk voortzetten. Feiko Jacob Bouman nam de zaak over.

Johannes Ernst bouwde instrumenten naar Stradivari, Maggini, Da Salò en Stainer.

Zijn etiket luidde: Johannes Ernst Bachmann, fecit in Groningen, 18..

Bronnen

  • Stadsarchief van Amsterdam, bezocht in 2024 

  • Bolink J. e.a., 1999 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, NGV, Amsterdam

  • Balfoort D. J., 1931, De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam

  • Möller M. & Zn, 1955,  Violinmakers of the Low Countries, Amsterdam

  • Vannes R., 1979, Dictionnaire des Luthiers, 1979, Brussel

  • Jalovec K., 1965, Encyclopedie des Geigenbaues, Praag

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht 2024

  • Geneanet, bezocht in 2024

Auteur
Jan Boekhout
Datum
18 oktober 2024