Doorgaan naar content
bouwer

Johannes Bachmann

*1816 , Niederhorn      †1886 , Amsterdam

Toen Johannes Bachmann vanuit Duitsland naar Amsterdam kwam, gaf hij op geboren te zijn in Nieder-Olm. De ambtenaar noteerde het verkeerd, zodat hij sindsdien afkomstig leek te zijn uit de niet bestaande plaats Niederhorn. Van wie hij zijn opleiding kreeg is niet bekend. Hij kwam rond 1842 naar Nederland en werd als tijdelijk inwoner in het Amsterdamse register ingeschreven waarbij hij de Beurssteeg als verblijfplaats opgaf. Johannes verhuisde kort daarop naar de Beursstraat 4. Het beroep ‘instrumentmaker’ vermeldde hij in 1844 toen hij een deel van het huis aan de Sint Agnietenstraat 280 betrok. Eenmaal definitief in Amsterdam gevestigd, ontmoette hij Louisa Jungen met wie hij in 1847 trouwde en met wie hij tien kinderen kreeg.

De vioolbouw in Amsterdam was tot het eind van de achttiende eeuw levendig en van groot belang geweest, maar toen Bachmann zich in de stad vestigde was daar vrijwel niets meer van over. De komst van de vioolbouwer Louis Bernardel beloofde een nieuwe periode in te luiden. Hij was geboren in Mirecourt, maar naar Parijs gegaan waar zijn broer Sebastien Bernardel een begrip was en van wie hij het vak had geleerd.
Werkplaats(en)
Amsterdam, 1844-1886
Kalverstraat, 2e helft 19e eeuw. Foto Stadsarchief Amsterdam

Kalverstraat, 2e helft 19e eeuw. Foto Stadsarchief Amsterdam

Bernardel en Bachmann in de Kalverstraat

Louis Bernardel had zich in 1836 gevestigd in de Kalverstraat 40 en was veruit de belangrijkste Amsterdamse vioolbouwer in die tijd geworden en was de leermeester van onder anderen de broers Johan en Gerrit Kok. Ook Johannes Bachmann vestigde zich in de Kalverstraat. Dat Johannes Bachmann Louis Bernardel gekend heeft, lijkt aan weinig twijfel onderhevig te zijn; Bachmans zaak zat vanaf 1845 niet ver van die van Bernardel verwijderd op Kalverstraat 148. Bernardel overleed echter al in 1847 op 42-jarige leeftijd en werd opgevolgd door Joseph Grandjon, maar die sloot de zaak een half jaar later en vertrok naar Frankrijk. De door Bernardel opgeleide broers Kok werden een jaar later aangesteld tot de ‘Luthiers de la Conservatoire d’Amsterdam’. Johannes Bachmann was daarna jarenlang de enige vioolbouwer die zich in Amsterdam op contrabassen toelegde.

Na vijf verhuizingen: De Warmoesstraat

Een jaar na de dood van Louis Bernardel verhuisde Johannes Bachmann naar de Langebrugsteeg 357 en daarna naar de Oudezijds Achterburgwal 248. Zijn definitieve werkplaats was in de Warmoesstraat, destijds een vrij voorname straat met ‘deftige zaken’, twee pianohandels en drie theaters, een effectenhandel en het ‘Magasin de Paris’. Hij trok in het voormalige pand van de pianobouwer en muziekhandelaar Christiaan Bagge waar hij enkele violen bouwde en repareerde en later veel contrabassen bouwde.

In 1851 werd hun eerste kind geboren, Johannes Ernst. Die leerde het vak eerst van zijn vader, maar vertrok daarna naar Duitsland voor een opleiding bij verschillende bouwers. In 1878 keerde hij terug naar Nederland en begon een eigen werkplaats in Sneek om een jaar later naar Groningen te verhuizen waar hij zich als ‘muziekinstrumentmaker’ in liet schrijven. Hij vestigde zich achtereenvolgens op het Zuiderdiep, de Ebbingestraat, Herestraat en ten slotte aan de chique Oude Boteringenstraat. Zijn zaak droeg de naam 'Algemeene Muziek-Instrument-Piano- en Orgelhandel'. Kort vóór de dood van zijn vader in 1886 trouwde Johannes Ernst in Groningen. Johannes was niet bij het huwelijk aanwezig.

Het vlakke achterblad van de contrabas uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds

De contrabassen van Bachmann

Na het overlijden van Johannes Bachmann kwam er geen opvolger en verdween de zaak. Balfoort en Vannes zijn van mening dat Johannes Bachmann vooral gewaardeerd werd om zijn goede viersnarige contrabassen, gebouwd naar het gambamodel met vol gewelfde bovenbladen en vlakke achterkant van gevlamd esdoornhout. Veel bassen uit die tijd waren voorzien van een opgeschilderde randinleg; die van Bachmann hadden een fijne driedelige inleg zoals bij een viool of cello. Ook de verfijnde vorm en manier van snijden van de f-gaten wijzen op een grote vakbekwaamheid.

Johannes Bachmann gebruikte voor zijn bassen meestal een bruin-gele lak. Zijn etiket luidde: J. Bachmann,

Bronnen

  • Stadsarchief van Amsterdam, bezocht in 2024 

  • Bolink J. e.a., 1999 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, NGV, Amsterdam

  • D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam

  • Möller M. & Zn, 1955,  Violinmakers of the Low Countries, Amsterdam

  • Vannes R. 1979, Dictionnaire des Luthiers, 1979, Brussel

  • Jalovec K. 1965, Enzyclopedie des Geigenbaues, Praag

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht 2024

  • Geneanet, bezocht in 2024

Auteur
Jan Boekhout
Datum
10 september 2024