
viool
Jiska ter Bals

*± 1680 , Lyon †± 1740 , Parijs


De werkplaats van Jacques Boquay lag aan de Rue d’Argenteuil, een straat aan de rechter oever van de Seine, niet ver af van de Tuilerieën en het Palais Royal. Daar zou hij zijn hele werkzame leven blijven wonen. De straat telde ten tijde van zijn werkperiode niet veel meer dan 40 huizen, variërend van een slotenmakerswoning tot een klein theater.
Het Franse hof stopte geleidelijk met het kopen van violen in Italië en ging over tot het in eigen beheer laten bouwen van de strijkinstrumenten. Jacques Boquay mocht rond 1710 instrumenten leveren aan het hof van Louis XIV, de Zonnekoning. Dit viel samen met de inauguratie van de Chapelle Royale in Versaille die werd opgeluisterd door 200 musici. In 1711 trouwde Jacques Boquay. Parijs was in de periode van Louis XIV enorm gegroeid en onder zijn invloed was een gunstig klimaat voor de muziek, ballet en opera ontstaan.
Na de dood van de Zonnekoning in 1715, begon zijn zoon Louis XV met concerten in een zaal van de Tuilerieën die vlak bij Boquay lag. Lully schreef daar muziek voor, vaak in grote bezetting. Marin Marais, zelf een virtuoos violist, schreef een enorm oeuvre voor dit instrument waarvan een deel eveneens in de Tuilerieën werd uitgevoerd.
Er bestaat een basviool van Boquay’s hand met de inscriptie: "Sit nomen Domini benedictum” op de zijkant, vermoedelijk uit 1720, waarop aan de achterzijde het koninklijk wapen staat geschilderd. Die moet hij gebouwd hebben voor één van de twee orkesten die resideerden in Versailles onder Martin Richard de Lalande, waar een dergelijk instrument in gebruik was.
De violen die Jacques Boquay verkocht, bouwde hij niet allemaal zelf, maar hij handelde ook in nieuwe instrumenten van anderen. Na zijn dood werden er negenentwintig violen van diverse bouwers uit de Lorraine-streek in zijn werkplaats aangetroffen. Hij had een leerling, een ‘garçon’, die in teruggevonden brieven Treuillot of Trevillot werd genoemd.
Het hout dat Jacques Boquay gebruikte, was van goede kwaliteit. Dat werd door meerdere houtverwerkende ambachtslieden collectief aangeschaft en binnen de stad aan de oevers van de Seine afgeleverd.
Voor zijn instrumenten gebruikte Boquay een andere afwerking dan Amati: een onderlaag van beenderlijm, zonder kleurstoffen met daaroverheen een mengsel van drogende olie en pijnboomhars die later voor een natuurlijke, donkere verkleuring zorgde. Bij sommige instrumenten is een derde laag aangetroffen waarin wel kleurstoffen zaten.
Gezien het betrekkelijk grote aantal violen dat er nog van hem bestaat, is Boquay een productieve bouwer geweest.
Bron: Tarisio
Boquay gebruikte twee verschillende gedrukte etiketten:
‘JACQUES * BOQUAY / RUE DARGENTEUIL / A PARIS, 17..’
De andere heeft een versierde rand:
‘Jacques Boquay / Rue d’Argentuil / a Paris 17..’
Dufour R., La musique Française au XVII et XVIII siècle, 1970, Parijs.
Bocour V, 2016, Handbook of materials of string musical instruments.
Dufourcq N, 1965, ”La Musique, les hommes, les instruments, les oeuvres…”, Parijs.
Milliot S. Documents Inédits sur les Luthiers Parisiens du XVIII° siècle, Paris.
Gétreau, F. Instrumentistes et Luthiers Parisiens XVII° - XIX° siècle Ouvrage dirigé, Paris.
The Strad, mei, 1892. Londen.