Doorgaan naar content
bouwer

Hendrik Jacobs

*± 1629 , Amsterdam      †1704 , Amsterdam

Hendrik Jacobs is zonder twijfel de meest bekende en gevierde vioolbouwer uit de Nederlandse geschiedenis. Hij had een van de meest invloedrijke ateliers buiten Italië. De zogenoemde ‘gouden periode’ van het Nederlandse vioolbouwvak begon rond 1650 o.a. met Jacobs en duurde bijna 80 jaar tot de dood van zijn jongste stiefzoon Pieter Rombouts. Deze vioolbouw periode kan gezien worden als een van de beste periodes buiten de Italiaanse school, mede doordat Jacobs ook een zeer goede leermeester was: beide stiefzoons (Gijsbert Verbeek en Pieter Rombouts) groeiden uit tot toonaangevende bouwers met instrumenten van hoge kwaliteit.
Werkplaats(en)
Amsterdam, ±1650-1704

Sint Antoniesbreestraat

Over het begin van Jacobs’ leven is nauwelijks iets bekend; zo weten we niet waar en wanneer hij geboren is en waar hij het vak heeft geleerd. Het eerste document dat we van hem tegenkomen stamt uit 1654, een trouwakte waarop hij vermeld staat als ‘fiolemaker’, iets wat voor die tijd vrij uitzonderlijk was want tot dan toe noemden de meeste instrumentenbouwers zich luiten-, viola da gamba- of citermaker. Zijn vrouw, Femmetje Jans, had al drie kinderen uit haar eerdere huwelijk, blijkt uit een teruggevonden trouwakte. Haar jongste zoon, Gijsbert Verbeek, zou onder de auspiciën van Jacobs uitgroeien tot een van beste vioolbouwers van de Nederlandse geschiedenis. Op diezelfde trouwakte staan nog twee interessante details: er staat vermeld dat Jacobs’ ouders niet meer in leven zijn en dat hij woonachtig is in de Sint Antoniesbreestraat. De kunstschilder Rembrandt van Rijn woonde op dat moment in dezelfde straat.

Op een uitgebreide inventaris-akte uit 1670, opgesteld na het overlijden van Grietje Boumeester, weduwe van citermaker Gerrit Menslage, komen we Jacobs ook tegen. Hij is de nabestaanden van Boumeester nog 19 gulden en 10 cent verschuldigd. Enkele jaren later treffen we nogmaals een trouwakte van hem aan, uit 1676. Deze keer trouwt hij met Sibilla Barents ten Bergh, en ook zij heeft een kind uit haar eerdere huwelijk. Het betreft Pieter Rombouts, die decennia later, na het overlijden van Jacobs, zijn atelier zal overnemen.

Op slechts enkele notariële aktes na, waar hij staat vermeld als getuige bij een huwelijk of het dopen van een kind van een van zijn stiefzonen, weten we nauwelijks iets over het leven van Jacobs. Voor zover bekend heeft Jacobs zelf geen kinderen gekregen.

1692, een kantelpunt

Toch moet het jaar 1692 een kantelpunt zijn geweest in het leven van Jacobs, want op 7 januari van dat jaar laten hij en zijn vrouw gezamenlijk een testament opmaken. De reden hiervoor staat niet genoemd in het document, wel dat beiden gezond zijn. Dit kantelpunt is ook te zien in zijn werk, want juist vanaf 1692 zijn er veruit de meeste instrumenten van zijn hand bekend. De grote overgebleven groep instrumenten doet vermoeden dat ook de productieaantallen stegen: waar er geen instrumenten van zijn hand bekend zijn tot 1680 en vanaf dan slechts maar enkele opduiken, zijn er vanaf 1692 ruim zestig instrumenten overgebleven. Zijn atelier domineert vanaf die periode dan ook de markt en levert uitzonderlijke kwaliteit. Mede dankzij die periode groeit hij uit tot de grootmeester waar hij vandaag de dag bekend om staat. In deze bewuste periode wordt hij geassisteerd door Rombouts en wellicht nog enkele anderen, want ook de naam Hendrik Ravekes duikt enkele malen op rond het atelier, wat doet vermoeden dat ook die bouwer een leerling was van Jacobs. Eind december 1704 komt Jacobs te overlijden en wordt hij op oudejaarsdag begraven in de Nieuwezijds Kapel (vandaag de dag Rokin 78).

Zijn werk: hommage aan Amati

Er is een grote variatie aan instrumenten vervaardigd in zijn atelier: violen, cello’s, viola da gamba’s, tromba marina’s en zelfs ook pochetten (zakviooltjes).  Veruit de meeste instrumenten zijn violen en deze variëren in model en maat, maar ook decoratieve onderdelen zoals de krul, randwerk en hoeken kunnen per instrument (subtiel) verschillen. Zijn werk is sterk beïnvloed door de Italiaanse bouwer Nicolò Amati, zoals het werk van vele Amsterdamse bouwers in die tijd. Ondanks dat Jacobs de kwaliteit van Amati het beste wist te evenaren, spreken we niet van kopieën. Misschien is 'hommage' beter op zijn plaats, want het is niet zo dat zijn vaardigheden niet ver genoeg reikten om een ​​Amati viool nauwkeurig te kunnen kopiëren. Dit is met name zichtbaar in de krul van een viool uit 1699 in de collectie van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds; die krul is identiek aan een Amati, maar overige details zijn echt Jacobs’ persoonlijke stijl. Hij koos er dus simpelweg voor om niet het gehele model te kopiëren.

Gouden regel

Dit sluit aan bij de algemene gedachten uit die tijd, die ook zichtbaar zijn in de kunstwereld: rechtstreekse kopieën worden niet door meesters gemaakt, maar alleen door leerlingen die proberen een bepaalde stijl of techniek onder de knie te krijgen. Deze ideologie wordt al in het begin van de 15e eeuw beschreven, in het boek "Il Libro dell'Arte" van Cennino Cennini. Het was bijna een onuitgesproken gouden regel bij klassieke schilders en beeldhouwers, maar je ziet dit ook in de vroege vioolbouw; men haalde inspiratie uit het werk van de leermeester of een andere kunstenaar, maar alleen details werden gekopieerd om vervolgens voldoende ruimte te laten voor een persoonlijke interpretatie, kenmerken en ideeën. Zo werd tegelijkertijd iets vertrouwds en iets nieuws gecreëerd. De Amsterdamse vioolmakers beheersten deze eeuwenoude gedachtegang en aanpak en Jacobs was hier overduidelijk meester in want ondanks zijn herkenbare inspiratiebronnen hebben Jacobs’ instrumenten wel degelijk een zeer eigen karakter.

Creativiteit en vrijheid op topniveau

Gedurende zijn hele carrière is Jacobs ook nooit terughoudend om iets nieuws te proberen; van de vroegst bekende exemplaren tot zijn laatste violen is een grote creativiteit, vrijheid en ontwikkeling te zien. Zo vervaardigt hij in de jaren 80 van de 17e eeuw violen uit Braziliaans palissander (destijds Sakerdaan genoemd), wat hoogstwaarschijnlijk in die tijd ook al grensverleggend moet zijn geweest. Maar tegelijkertijd weet hij in hetzelfde decennium ook een prachtige, verfijnde en gedecoreerde viola da gamba te bouwen, die schouder aan schouder kan staan met iedere wereldberoemde bouwer. Deze viola da gamba is nu onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum. Jacobs geeft zichzelf, binnen zijn eigen stijl en werkwijze, zoveel vrijheid dat er nauwelijks twee instrumenten hetzelfde zijn. Hij maakt grote en kleine modellen, breed en slank, hoog en laag gewelfd maar ook de lengte van de hoeken konden variëren per instrument. Waar zijn grondering wel altijd hetzelfde is (een zeer intense en diepe goudbruine kleur die zorgt voor een warme en reflecterende uitstraling) variëren zijn laksoorten juist sterk van structuur en kleur. Jacobs gebruikt het gehele beschikbare palet aan lakkleuren: van een bijna kleurloze lak tot licht amber, oranje, diep rood en helder bruine tinten. En altijd van topkwaliteit.

Hondshaaienhuid en linnen

Ondanks de zeer verfijnde afwerking zijn er altijd nog lichte gereedschapssporen te zien, met name in de hoeken, de krul en het binnenwerk. Een van de kenmerken is het gebruik van hondshaaien huid. Dit 17e eeuwse schuurpapier werd gebruikt om het randwerk en de krullen af te werken. Verder is er linnen aan de binnenkant van de ribben van zijn instrumenten te vinden; helaas is dit bij vele instrumenten door latere restaurateurs verwijderd omdat men ten onrechte aannam dat het bij een reparatie was toegevoegd en zich dus niet realiseerde dat dit van de hand van Jacobs zelf was. Het gebruik van linnen is in Amsterdam ongebruikelijk; het atelier van Jacobs was het enige waar deze methode werd toegepast.

Vakman, leermeester en inspirator

Jacobs beheerste elk onderdeel van het vak en ieder van zijn overgebleven instrumenten is dan ook een meesterwerk. Naast zijn genie als vakman, is hij een uitzonderlijke leermeester en inspirator gebleken, want iedereen in of rond zijn atelier werd eveneens een meester in het vak, telkens met een eigen individuele stijl. Dit samen met de schoonheid van zijn instrumenten maakt Hendrik Jacobs met recht de allergrootste vioolbouwmeester uit de Nederlandse geschiedenis.

Bronnen

  • D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam.

  • Bolink J, Giskes J, Lindeman F, Stam S,, 1999, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Amsterdam.

  • Stadsarchief van Amsterdam, geraadpleegd in 2025

Auteur
Hubert de Launay
Datum
5 april 2025