Doorgaan naar content
bouwer

Giuseppe Guarneri ‘del Gesù’

*1698 , Cremona      †1744 , Cremona

Net als Stradivari en Amati, wordt Bartolomeo Giuseppe Guarneri ‘del Gesù’ gezien als een van de grootste vioolbouwers van Cremona. Was Antonio Stradivari al een bekendheid in zijn eigen tijd, Giuseppe ‘del Gesù’ kreeg die erkenning pas eind negentiende eeuw.
Lang was hij een onbegrepen bouwer: onterechte mythen en minder fraaie verhalen over zijn afkomst, over zijn persoonlijk leven en zijn vermeende tweederangs werk, plaatsten hem nog lang in een weinig gunstig daglicht. Pas toen Paganini met één van ‘del Gesù’s’ violen furore maakte, begon het echte onderzoek naar deze markante bouwer en bleek wel hoe geniaal hij was.

Zijn bijnaam ‘del Gesù’ heeft hij bij zijn leven nooit gehoord. Die dankte hij postuum aan de letters IHS die hij vanaf 1730 op zijn etiketten liet zetten. Dat hij later met ‘del Gesù’ werd aangeduid, was om hem te onderscheiden van zijn vader die eveneens Giuseppe heette.

Giuseppe Guarneri ‘del Gesù’ was nauwelijks geïnteresseerd in schoonheid of verfijning van zijn instrumenten. Het grootste deel van zijn loopbaan zocht hij naar de mooiste klank, de rest was daar ondergeschikt aan.
Werkplaats(en)
Cremona, ±1710-1722
Cremona, 1726-1744

Late erkenning

Bartolomeo Giuseppe was de jongste zoon van de vioolbouwer Giuseppe Giovanni Battista Guarneri uit Cremona, beter bekend als Giuseppe Guarneri ‘filius Andreæ’. In Italië was het ongebruikelijk om een zoon naar zijn vader te noemen. Dat heeft lang tot speculatie geleid of Giuseppe al dan niet een aangenomen zoon of onecht kind was. Om hem van zijn vader te onderscheiden werd postuum ‘del Gesù’ aan zijn naam toegevoegd. Het is afgeleid van de drie letters IHS die Giuseppe op zijn etiket liet drukken, wat staat voor ‘Iesus Hominum Salvator’, Jezus redder der mensheid.

"If Stradivari is the poet of the violin, then Guarneri del Gesù is its philosopher.” Yehudi Menuhin

Tussen geniale bouwers in Cremona als Stradivari en Amati viel de familie Guarneri nauwelijks op; niet welgesteld, nauwelijks productief en een reputatie die niet veel verder ging dan binnen de stad Cremona. In geen enkele collectie uit die tijd waren hun instrumenten opgenomen. Tot halverwege de negentiende eeuw werden zij door een van de belangrijkste kenners van de Italiaanse vioolbouw, graaf Cozio de Salabue zelfs nog ‘tweederangs’ genoemd. Pas toen Paganini in 1828 met één van Guarneri del Gesù’s instrumenten door Europa trok en concerten gaf, werd duidelijk hoe geniaal deze bouwer was. De klank van zijn instrumenten overtuigde zelfs het meest kritische Weense publiek en was nauwelijks door andere instrumenten te evenaren. Sindsdien is zijn genialiteit breed erkend, groeide de vraag naar zijn instrumenten en stegen de prijzen ervan astronomisch.

Casa Orcelli-Guarneri en zijn bewoners

Bartolomeo Giuseppe Guarneri werd in 1698 geboren in het Casa Orcelli-Guarneri, een eenvoudig, maar groot huis in het centrum van Cremona waarin ook zijn vader en grootvader hun werkplaats hadden en dat zijn vader al ’Sub Sanctae Teresia’ had genoemd. Het lag gunstig aan het Piazza San Domenico, in de schaduw van de kerk met dezelfde naam.

Giuseppe was de jongste zoon van Giuseppe Joseph Guarneri die zich Guarneri ‘Filius Andreae’ noemde en Anna Maria Orcelli met wie hij samen zes kinderen gekregen had. Een jaar na hun huwelijk werd hun eerste kind geboren, maar zij stierf al enkele dagen later. Dezelfde vroege dood troffen ook hun twee andere dochters.

Drie jaar eerder dan Giuseppe was Pietro geboren en in leven gebleven. Op de dag dat Giuseppe werd geboren, woonden er naast de vrouwelijke familieleden, vijf vioolbouwers van de familie Guarneri onder één dak: grootvader Andrea, zijn zoon Pietro (‘van Mantua’), Giuseppe (‘filius Andreae’) en zijn kleinzoon, Pietro (‘van Venetië’).

De markies Giovanni Battista Ariberti, begunstiger van Cremona’s enige theater, was Giuseppe’s peetvader. Krap drie maanden na de geboorte van Giuseppe overleed zijn grootvader Andrea Guarneri.

Joseph Guarneri ‘Filius Andreae’ had tot enkele jaren voor zijn huwelijk bij Nicolò Amati gewerkt. Door zijn huwelijk waren de contacten met invloedrijke personen in Cremona gegroeid, maar veel opdrachten had hij niet van hen gekregen. Vermogend was de familie Guarneri zeker niet, Giuseppes vader had voor de aankoop van het huis een lening moeten afsluiten en er een deel van de woning voor moeten verhuren. Om de kosten van zijn groeiende huishouden te kunnen betalen, werkt Giuseppe ‘Filius Andreae’ bij als violist.

Basilica di S. Domenico, Cremona

De concurrentie in Cremona

Giuseppe en zijn broer Pietro werden in zo’n acht jaar tijd door hun vader opgeleid tot vioolbouwer. En omdat het bespelen van de instrumenten een onderdeel was van hun vorming, kregen ze daar ook onderricht in. Al in het begin van Giuseppes loopbaan nam de concurrentie onder de vioolbouwers van Cremona toe. Girolamo Amati II, de zoon van Nicolò Amati, was weer bij zijn vader gaan werken en zorgde voor een grote productie. Maar nog belangrijker was dat Antonio Stradivari in opkomst was. Door zijn succes kon hij in 1680 verhuizen naar de Piazza San Domenico, waardoor hij maar een paar meter af kwam te wonen van het ‘Casa Guarneri’. De families Stradivari en Amati hadden vaak leerlingen en medewerkers in huis of in de buurt wonen, de Guarneri’s werkten voor zover we weten alleen.

Slechts vier families die zich met vioolbouw bezig hielden, waren in die tijd in Cremona aan het werk: Amati, Rugeri, Stradivari en Guarneri. In de nogal strikte hiërarchie van Cremona werd Stradivari al snel de voornaamste. Echter, de meest invloedrijke was Amati, naar wiens model de anderen zich richtten.

Del Gesù’s vader Giuseppe ‘filius Andreae’ was een goed vakman, maar zijn instrumenten konden niet op tegen die van zijn grote tijdgenoten. Het hout dat hij ervoor gebruikte was eenvoudig, soms was het beuken, populier of linde en niet altijd op dezelfde manier gezaagd. Zij dienden wel de muzikale eisen van zijn tijd, maar stegen er niet bovenuit. In verhouding tot de instrumenten van zijn grote stadsgenoten waren zijn instrumenten voordelig, slechts éénvijfde van de prijs die Stradivari rekende.

Vertrek van Giuseppes broer Pietro

Pietro en Giuseppe werkten onder leiding van hun vader in de familiewerkplaats samen, tot Pietro in 1719 zijn ouderlijk huis verliet om ergens anders in Cremona te gaan werken en Giuseppe en zijn vader alleen achterbleven. Dat was voor die tijd een opmerkelijk en riskant besluit; niet eerder had in Cremona een zoon op die leeftijd het bedrijf van zijn vader verlaten. Als concurrent van zijn vader en broer, bouwde Pietro enkele jaren lang in Cremona zijn instrumenten, voordat hij rond 1721 naar Venetië ging.

Beide broers bleven elkaar later vrijwel zeker ontmoeten, maar gezien de verschillen tussen de instrumenten die zij bouwden, is er niet meer dan een bescheiden vorm van samenwerking of beïnvloeding sprake geweest. Cremona was niet meer dan een provincieplaats en Venetië een wereldstad. Het was hét muzikale centrum van Italië. Vernieuwingen in de muziek waren vaak daar begonnen. Venetië, waar Vivaldi het muzikale niveau in de stad tot een nieuw hoogtepunt liet stijgen, was een belangrijke bron van trends en invloeden voor alle vioolbouwers.

Pietro’s vertrek was vermoedelijk ingegeven door het wegvallen van de vraag naar instrumenten die nog op de oude Amati-vorm gebaseerd waren, maar ook doordat de Guarneri-familie langzamerhand overschaduwd werd door de opkomst van de veel succesvollere Stradivari. Die was vernieuwend, had een grote productie en bouwde vooral instrumenten voor de meer welgestelden. Bovendien begon Cremona door de opkomst van nieuwe centra binnen en buiten Italië zijn dominantie voor wat de vioolbouw betreft te verliezen. Als aanvullende reden geeft Hill (1989) dat de verschillen van mening tussen Pietro en zijn vader, met wie hij onder één dak leefde, te zeer uiteen waren gelopen om nog langer bij elkaar te blijven.

Crisis en Giuseppes huwelijk

Vader en zoon Giuseppe ‘del Gesù’ pasten zich na het vertrek van Pietro enigszins aan Stradivari aan, maar desondanks viel de vraag naar Guarneri’s instrumenten vanaf 1720 vrijwel stil. Twee jaar bleven vader en zoon nog doorgaan met bouwen tot Giuseppe in 1722 trouwde en het huis uitging. Zijn echtgenote was Katarina Rota, een Weense die vermoedelijk in de sleep van het Oostenrijkse leger in de Povlakte was achtergebleven. Zij kregen geen kinderen.

Wat Giuseppe in de eerste vier jaren na zijn huwelijk deed (tussen 1722 en 1726), is niet bekend. Er zijn geen instrumenten in die tussenliggende jaren van hem gevonden om aan te nemen dat hij als vioolbouwer werkte. Muziek beleefde vanaf 1720 in Italië een opleving; niet zozeer aan de hoven, maar zang en dans onder begeleiding van vioolmuziek werd ongekend populair bij het gewone volk. Veel vioolbouwers waren, vaak uit geldnood gedwongen, ook de bespelers van hun instrumenten. Er wordt wel aangenomen dat Giuseppe ‘del Gesù’ in die periode als violist rondreisde en later aan een van de vele hoven in Noord-Italië werkte voordat hij terugging naar zijn geboortestad. Ook al reisde ‘del Gesù’ regelmatig tussen verschillende steden heen en weer, zijn instrumenten bouwde hij uitsluitend in Cremona.

Armoede en Giuseppe als 'Joseph Guarnerius Andreae nepos'

Pas rond 1726 verschenen er weer instrumenten van Giuseppe 'del Gesù's' hand. Ondanks dat hij niet meer in het Casa Guarneri woonde, bleef de relatie met zijn vader goed. Zij het dat de historicus François Fétis verwees naar violen gemaakt door 'del Gesù' in de jaren 1726-1729, die waren voorzien van een label waarop hij vermeldde 'Joseph Guarnerius Andreae nepos’ te zijn, een tekst waarmee hij aangaf de kleinzoon van Andrea Guarneri te zijn. Daarmee omzeilde hij een verwijzing naar zijn eigen vader. Zijn grootvader had meer status dan zijn vader die in armoede was vervallen. Lang werd de mening van Hill gevolgd, die stelde dat de ‘nepos’ labels niet origineel waren, maar latere onderzoekingen, met name die van Dilworth en Chiesa (2015) hebben bevestigd dat deze wel degelijk van Giuseppe 'del Gesù' afkomstig waren.

De familie zat diep in de schulden en om die af te lossen moesten zij een deel van hun huis verkopen. Hun situatie verergerde nog nadat Giuseppe 'del Gesù’s' moeder in 1737 overleed. Om de kosten van haar begrafenis te kunnen betalen moest zijn vader opnieuw een lening afsluiten. Een schriller contrast dan met de man over wie de uitdrukking in Cremona rondging: ‘Zo rijk te zijn als Stradivari’, was op dat moment niet denkbaar.

De opleving in de muziek had ook de vraag naar instrumenten doen toenemen, maar Guarneri ‘filius Andreae’ was niet meer in staat om daaraan te voldoen. De laatste negen jaar tot hij in 1739 overleed, bouwde Giuseppe ‘filius Andreae’ zelf nauwelijks meer, hij was helemaal afhankelijk geworden van zijn zoon.

Giuseppe Guarneri IHS

Noord-Italië werd opnieuw het slagveld waar Frankrijk en Oostenrijk hun machtsstrijd uitvochten. Dankzij de overwinnaars, de Franse Bourbons, leefde Noord-Italië op. De streek was gevoelig gebleken voor de ideeën van de Verlichting. Muziek was niet langer bedoeld voor het hof, maar ook voor het gewone volk. Een nieuwe muzikale bloei leefde op in Venetië, Milaan en Napels. Een nieuwe generatie professionele musici zocht een krachtiger, rijkere klank: een recht toe recht aan instrument zonder de versierselen zoals Stradivari die maakte. Die stroming vond, passend bij hun vaak magere inkomsten, bij ‘del Gesù’ wat zij zochten.

"De violen van Guarneri del Gesù hebben een vurigheid en een kracht; ze zijn het instrument van de duivel én de engel tegelijk.” Yehudi Menuhin

Stradivari’s invloed nam naarmate hij ouder werd af en Giuseppe ‘del Gesù’ zag rond 1730 de weg vrij voor een nieuwe start als zelfstandig vioolbouwer in Cremona. In die tijd liet hij zich zichtbaar beïnvloeden door bouwers van buiten Cremona. Mogelijk dat zijn broer Pietro daar een rol in speelde.

Het duurde maar een paar maanden na het begin als zelfstandig bouwer voordat Giuseppe een nieuw label liet drukken waarin hij niet langer naar zijn familie verwees. Dat was ook niet nodig, hij was nu de enige Guarneri-vioolbouwer in Cremona. Zijn label is bekend geworden door de combinatie van de letters IHS en een kruis dat hij achter zijn naam liet zetten. Waarom hij dat deed is nooit achterhaald. Het leverde hem pas een halve eeuw later de bijnaam op waaronder hij de geschiedenis is ingegaan als ‘del Gesù’, waarbij aangenomen werd dat hij met de letters IHS, Iesus Hominum Salvator bedoelde.

Bouwer voor musici niet voor de rijken

Van 1726 tot 1730 leek hij te experimenteren met ieder instrument dat hij bouwde. Welvingen en diktes in het hout verschoven steeds een klein beetje. Stradivari had met zijn prachtige instrumenten de aandacht veroverd van de hogere kringen en van rijke verzamelaars, ‘del Gesù’ bouwde voor musici. Hij zocht het niet zozeer in het uiterlijk, maar in de klank die, nadat hij die rond 1730 gevonden had, bij musici ongekend geliefd werd.

Tussen 1730 en 1740 schoot zijn reputatie omhoog. Korte tijd streefde hij naar perfectie, om zich in de jaren die daarop volgden minder om de afwerking te bekommeren en hij impulsiever werd. Nauwkeurige bestudering van zijn instrumenten uit die tijd lieten zien dat hij zelden met zijn gereedschap twee keer over dezelfde plek ging. Deze periode wordt beschouwd als zijn hoogtepunt.

"Del Gesù's violen spreken niet tot de vingers, maar tot het hart – ze vragen geen perfectie, ze eisen passie.” Anoniem

Wat rond 1730 al te zien was, werd versterkt door de afnemende invloed - en het uiteindelijke overlijden - van Antonio Stradivari in 1737. Stradivari was tot dan toe de vanzelfsprekende supervisor van de vioolbouwers in de stad geweest en erkend als het ‘geweten’ van het vak. Door zijn aanwezigheid werden de principes in de vioolbouw in stand gehouden bij alles wat in Cremona gemaakt werd. 'Del Gesù' leek na zijn dood in zekere zin bevrijd te zijn van die rigide formaliteiten, iets wat ook te zien was bij andere Cremonese vioolbouwers.

Oeuvre

Volgens de meeste schattingen bestaan er ongeveer 150 instrumenten van ‘del Gesù’s’ hand; daarbij zijn de instrumenten niet meegerekend die hij bij zijn vader gebouwd heeft. Een kleine productie vergeleken met die van Stradivari aan wie ruim 1000 instrumenten worden toegeschreven. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat hij jong gestorven is en niet zijn hele leven vioolbouwer was. In de vijftien productieve jaren bouwde hij ongeveer tien instrumenten per jaar, vrijwel allemaal violen. Naarmate het onderzoek naar het ‘handschrift’ van del Gesù vorderde konden er twee cello’s grotendeels aan hem worden toegeschreven. Dat betroffen instrumenten waar ‘filius Andreae’ aan was begonnen en waarvan del Gesù er een in 1729 en de andere in 1731 heeft afgebouwd.

Onechte mythen en woeste verhalen

Over de periode van 1740 tot aan zijn dood, doken er in latere jaren voortdurend verhalen op over zijn vermeend losbandige leven, zijn botheid en zelfs over een veroordeling waardoor hij in de gevangenis was beland. Geholpen door een meisje dat hem gereedschap bracht, zou hij tot binnen de gevangenismuren nog violen hebben gemaakt. Hill, Dilworth en Chiesa achten dit onwaarschijnlijk en wijzen erop dat ‘del Gesù’ ieder jaar als getuige zijn handtekening onder handelsdocumenten zette en dus als betrouwbaar moest zijn gezien. Geen onderzoeker heeft tot nu toe een veroordeling terug kunnen vinden. Onderzoekingen uit 2022 hebben die mythe kunnen ontkrachten. Toch blijven deze verhalen steeds weer opduiken. Zij geven kleur aan het korte leven van ‘del Gesù’ daar ieder feitelijk document over zijn laatste jaren ontbreekt.

Laatste jaren en zijn dood in 1744

In 1743 bouwde hij voor zover bekend nog maar drie instrumenten, waaronder ‘il Cannone’ het instrument waarmee Paganini tachtig jaar later ‘del Gesù’s’ roem definitief zou vestigen. Dan sterft hij een jaar later plotseling. Voorzien van het sacrament werd hij bijgezet in de S. Prospero. Giuseppe Guarneri ‘del Gesù’ werd maar 47 jaar oud. Catarina, zoals zijn echtgenote  geregistreerd stond, overleefde hem, trouwde een Oostenrijkse soldaat en keerde naar Wenen terug. Het huis, de werkplaats en voorraden werden waarschijnlijk overgenomen door een andere Cremonese bouwer.

Werk en invloed van Giuseppe ‘del Gesù’ 

De eerste violen die 'del Gesù’ bouwde nadat hij zijn vaders werkplaats had verlaten waren al enigszins gemodelleerd naar Stradivari, maar in de algemene opzet was hij trouw gebleven aan de Amati-vorm. Die kwam van een mal die al door zijn grootvader Andrea was gemaakt en was doorgegeven aan de volgende generaties vioolbouwers van de familie. Ook later bleef deze nog de basis voor al ‘del Gesù’s’ werk. Onderzoek heeft aangetoond dat de verschillende modellen en stijlen die door 'del Gesù' zijn gebouwd, waarschijnlijk zelfs afkomstig zijn van deze ene mal.

Hetzelfde onderzoek liet zien welke bijdrage ‘del Gesù’ heeft geleverd aan de instrumenten van zijn vader. Verzwakt als ‘filius Andreae’ in de 20er jaren was, kon hij vermoedelijk het zwaarste werk niet meer verrichten. Sommige delen van instrumenten met het ‘Giuseppe filius Andreae’ label zijn door de vader, maar grote delen zijn door zijn zoon ‘del Gesù’ gemaakt.

Het was in Cremona gebruikelijk dat een zoon het etiket van zijn vader gebruikte zolang hij niet ingeschreven stond als zelfstandige vioolbouwer. Het aantal instrumenten dat ‘del Gesù’ bij zijn vader gebouwd heeft onder diens label, wordt voorzichtig geschat op 50.

John Betts, die in de negentiende eeuw de beste Italiaanse instrumenten naar Engeland haalde, schreef over een van ‘del Gesù’s' violen dat de hals en krul ‘niet origineel’ waren. Dat klopte in zekere zin ook; ‘filius Andreae’ maakte in de hele middenperiode, zeker tot 1734 de meeste halzen en krullen voor vrijwel alle instrumenten van zijn zoon.

Daarna volgde een periode van 'del Gesù's' meest aantrekkelijke werk. Dat  was qua model gebaseerd op Stradivari, maar hij bleef nog wel trouw aan de conventionele constructies van Amati. De pennen, markeringen en interne structuur geven aan dat hij vrijwel zeker dezelfde technische manier van werken gebruikte als Amati. De bladen van zijn instrumenten waren dik en licht gewelfd.

"Del Gesù’s instruments speak with a voice that is both human and divine.” Isaac Stern

Zijn zoektocht naar de beste klank bracht hem bij het beste hout dat hij kon vinden. Het was niet mooi gevlamd, maar goed doordacht gebruikt en beter geschikt voor zijn doel. Rond 1735 maakte hij zich los van het knellende systeem van de oude Cremonese school en leefde zijn creativiteit verder uit. Sommige kenners zagen dit vroeger als een blijk van opkomende losbandigheid in zijn persoonlijke leven, maar dat idee is inmiddels weerlegd. Met een serie instrumenten waarvan hij de randen iets smaller hield dan voorheen, begon hij dat jaar hij aan zijn volgende periode.

De essentie: klank

Na 1740 bleek zijn voortdurende onrust en neiging tot experimenten. Hij concentreerde zich op het bouwen van violen met een klank die wat volume en kracht betreft groter en voller waren dan die van Amati. Daarvoor veranderde hij zelfs in de laatste vier jaren van zijn leven nog de verhouding tussen welving en omtrek van zijn violen. Aan de minder essentiële delen van de viool zoals de krul of randinleg besteedde hij steeds minder aandacht. Het is ook de periode waarin hij varieert in plaats, lengte en stand van de f-gaten.

Onderzoekers wijzen erop dat hij zijn vernieuwingen vermoedelijk haalde uit Brescia, waar hij in gelijkgestemde en vrijere bouwers als Caspar da Salo en Maggini een alternatief zag voor de stijve Cremonese opvattingen. En maar in beperkte mate uit Venetië waar zijn broer werkte. Ook de voor de klank zo belangrijke f-gaten keek hij naar Bresciaanse bouwers. Anderen zijn van mening dat ‘del Gesù’ bij iedere individuele viool een f-gat sneed dat paste bij de klank die hij voor ogen had. Vanaf 1741 leek het daar zeker op. De ronde gaten bleven waar zij waren, maar de verbindingsopening varieerde bij iedere viool in breedte en stand. Het leek of hij ze uit de hand sneed.

"Del Gesù’s violins are not always beautiful to the eye, but to the ear they are sublime.” Charles Beare

Hij mocht dan weliswaar niet meer de schoonheid van de traditionele Cremonese stijl nastreven, hij bleef buitengewoon zorgvuldig in het maken van de welvingen, het aanpassen van de diktes in de boven en onderbladen, het plaatsen van de f-gaten en de keuze van de rib-hoogtes.

Dilworth (2013) ziet op basis van de instrumenten die hij met elkaar vergeleken heeft, aanknopingspunten om te veronderstellen dat ‘del Gesù’ in 1742 en in 1743 enkele violen in tweetallen maakte. Het is niet helemaal uit te sluiten dat hij dat uit efficiëntie deed, maar het is ook heel goed denkbaar, en passend bij de manier waarop ‘del Gesù’ eerder experimenteerde, dat hij zo het klankresultaat van de kleine verschillen in dikte die hij aanbracht in de bladen van de twee instrumenten met elkaar kon vergelijken.

Bronnen

  • W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1910, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, Londen.

  • Hill W., Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1902 Antonio Stradivari: His life and work (1644-1737), London.

  • Jalovec, K., 1957, Italienische Geigenbauer, Praag.

  • Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.

  • The Strad; In Focus 2013; John Dilworth.

  • Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, Londen.

  • Tarisio; the Cozio archive, bezocht in 2020.

  • Hargrave R. G., 2011, The Working Methods of Guarneri ‘del Gesù’ and their Influence upon his Stylistic Development.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
22 april 2025