
cello
Gideon den Herder

*1774 , Boretto †1855 , Mantua
Na zijn huwelijk vestigde hij zich met zijn zwager, Sante de Coppi als vioolbouwer in Mantua. Vijftien jaar werkten zij in één en hetzelfde atelier.
Zoals al generaties vóór hem was Pietro Guarneri, de vioolbouwer die de kennis van Cremona naar Mantua had gebracht, ook voor Giuseppe Dall’Aglio een belangrijk voorbeeld. Giuseppe Dall’Aglio’s werk is soms wat ruw, maar wordt vaak wel beoordeeld als excellent in uiterlijk en klank.
Giuseppe Dall’Aglio, zoals we hem nu kennen, werd gedoopt als Giuseppe Maria Dalaj. Hij kwam in 1774 ter wereld in Boretto, een gehucht in Reggio Emilia, aan de zuidoever van de Po, waar zijn vader boer was. Toen Giuseppe zeven was stierf zijn moeder en verhuisde zijn broer naar Mantua.
Kort na zijn 22e verjaardag vielen de Franse troepen zijn geboortestreek binnen en hij vreesde met recht voor een radicale omslag. Kort daarop stak Giuseppe de rivier de Po over en vestigde zich in Mantua dat in het vrije Lombardije lag. Daar begon hij een nieuw bestaan als koetsier. Door zijn werk ontmoette hij Alessandro Zanti (1771–1819), een vermaard violist die, naast zijn werk in verschillende orkesten, van Tomasso Balestrieri (1713–1796) les had gekregen in het bouwen van violen.
Balestrieri was erg productief geweest en zijn werk was in de streek ‘zeer geliefd’, aldus Philip J. Kass die hem heeft bestudeerd. Balestrieri had gewerkt in de traditie van Pietro Guarneri (1655 – 1720), maar neigde met zijn wat ruwe afwerking en lak die craqueleerde, ook naar het werk van diens ‘wildere’ neef Giuseppe del Gesù (1698–1744).
Tomasso Balestrieri was bevriend met de familie Zanti. Toen Tomasso 82 jaar en ziek was nam Alessandro Zanti hem bij zich in huis en verzorgde hem tot aan zijn dood. Dall’Aglio’s bestaan als koetsier was van korte duur; een jaar na zijn aankomst in Mantua begon hij met het repareren van instrumenten en ging hij als vioolbouwer verder. Hard bewijs dat Alessandro Zanti de kennis die hij van Tomasso Balestrieri had gekregen doorgaf aan Giuseppe Dall’Aglio is er niet, maar is wel zeer aannemelijk.
De vrijheid die Mantua leek te bieden, bleek van korte duur. De Franse troepen onder Napoleon rukten verder op en belegerden de stad. Een periode van wreedheid, honger en ziektes volgde. Het Teatro Nuevo dat het middelpunt was geweest van muziekuitvoeringen, werd in de as gelegd en nog voor de strijd in 1797 ten einde was, stierven enkele familieleden van Zanti en Balestrieri. Onder de invloed van het gedachtegoed van de Franse revolutie veranderde het culturele landschap in Mantua volledig en het merendeel van de intellectuele elite van de stad moest vluchten.
Het grote Teatro Nuovo was onbruikbaar geworden, alleen het kleinere Teatro Bibiana was overgebleven voor uitvoeringen. Het was verbonden aan de Academia delle Scienze e Arte waar Alessandro Zanti les gaf. Zanti bleek een leidinggevende figuur in Mantua’s muziekleven en speelde zelf in meer dan één muziekgezelschap.
Giuseppe Dall’Aglio en Alessandro Zanti waren inmiddels goed met elkaar bevriend en toen Alessandro een dochter kreeg, werd Giuseppe zelfs haar peetvader.
Giuseppe Dall’Aglio heeft Tomasso Balestrieri zelf niet of nauwelijks meer gekend, want enkele maanden nadat Giuseppe in Mantua arriveerde, overleed Balestrieri. Hij werd gezien als een van de belangrijkste ‘afstammelingen’ van Pietro Guarneri en Zanti ging, ook al was hij feitelijk een amateur, als een ‘goede Italiaanse vioolbouwer’ de geschiedenis in. Zanti zou dan ook beschouwd kunnen worden als de schakel tussen Dall’Aglio, Balestrieri en daarmee met Pietro Guarneri.
In 1807 trouwde Giuseppe Dall’Aglio met Theresa de Coppi. Haar broer, Sante (1787-1861), was oorspronkelijk metselaar en restaurateur van antieke beelden, maar was wel een ontwikkeld man. Giuseppe was arm en onopgeleid. Op de trouwakte stond hij niet meer als koetsier vermeld, maar als violinaio, vioolbouwer. Na zijn huwelijk trok hij bij de De Coppi’s in.
De familie De Coppi bezat veel vastgoed in Mantua, waaronder het pand waarin Zanti woonde. Sante de Coppi kwam vermoedelijk onder de indruk van het vioolbouwvak, want Giuseppe Dall’Aglio leidde hem op tot vioolbouwer en samen werkten ze van 1815 tot ongeveer 1830, grotendeels in dezelfde werkplaats en later gescheiden, maar wel bij elkaar in de buurt. De verschillen in hun persoonlijkheid waren groot. Sante was geletterd en bedachtzaam, Giuseppe impulsief en ongeschoold. Sante’s handtekening sierlijk, die van Giuseppe meer een harkerige krabbel. Dat was volgens Kass ook terug te zien in hun instrumenten: Dall’Aglio’s werk was spontaan, persoonlijk en niet zo verfijnd, dat van Sante de Coppi was strakker maar wordt vaak ook als minder persoonlijk beschouwd. Een ‘Odd couple’ noemde Kass de beide heren.
Vóór Dall’Aglio waren er al twee generaties Mantuese vioolbouwers schatplichtig geweest aan Pietro Guarneri. Die had de kennis van zijn illustere vader Andrea Guarneri in 1680 naar Mantua gebracht en sindsdien hadden de meeste vioolbouwers uit de stad zijn ontwerpen als voorbeeld genomen en er meestal niet veel meer dan kleine elementen in veranderd.
Pietro Guarneri was afkomstig van Cremona dat nog geen twee dagreizen van Mantua af lag. Er zat echter een wereld van verschil tussen de beide steden. Ze lagen in de invloedssferen van twee volstrekt verschillende landen: Frankrijk en Oostenrijk. Mantua had een voorsprong op Cremona wat muziek betreft, maar op het gebied van de vioolbouw was Cremona leidend geweest. De vooruitstrevende heersers uit de familie Gorganza hadden in Mantua hun zetel gehad en de kunsten waren door hun toedoen tot bloei gekomen. Tientallen jaren lang was er een stroom kunstenaars en musici naar Mantua getrokken en veel kwamen in dienst van de Gonzaga’s. Zo ook Pietro Giovanni Guarneri.
De Gonzaga’s werden echter verslagen door de Habsburgers. De nieuwe heersers brachten de meeste kunstschatten uit Mantua over naar hun paleizen in Venetië en verkochten de rest. De stad bleef cultureel geplunderd achter. Pas nadat de rust was weergekeerd hadden de vioolbouwers Antonio Zanotti (1695-1734), Camillo Camilli (c.1703-1750) en Tommaso Balestrieri (1713-1796), de draad weer opgepakt die Pietro Guarneri had nagelaten.
Die erfenis kreeg Dall’Aglio mee toen hij besloot vioolbouwer te worden. Dat leek hij zich pas in de loop van zijn carrière te realiseren. Vooral in de jaren tussen 1800 en 1810 was zijn handwerk nog vaak grof, ’clumsy en unregulated’ zelfs volgens Philip J. Kass, het had nog weinig weg van Guarneri. De bochten in het midden van zijn violen hebben de neiging om te veel naar binnen te komen en zijn f-gaten staan vaak rechtop in het blad en niet zelden a-symmetrisch. Ook de krullen sneed hij vaak a-symmetrisch. Pas rond 1820 bouwde hij zijn instrumenten meer herkenbaar naar Pietro Guarneri, met name zijn cello’s. Tegen het eind van zijn loopbaan hield hij zich steeds minder aan de traditionele opvattingen van de Mantuese vioolbouw en werd zijn werk vrijer. Hij gebruikte onderdelen van verschillende andere bouwers en voegde die samen tot een eigen model.
Sommige van zijn instrumenten munten uit in schoonheid en volgens velen ook in klank. Het achterblad en de krans zijn vaak mooi gevlamd en hebben een dichte structuur. De meeste violen en altviolen hebben een geel-bruine kleur, zijn cello’s zijn vaak donkerder.
Zijn oeuvre bestaat voornamelijk uit violen, een klein aantal altviolen en een enkele contrabas, maar zijn naam is toch vooral bekend geworden door zijn cello’s. Die bouwde hij vrij consequent naar Pietro Guarneri.
Hij gebruikte een gedrukt etiket: Joseph Dalaglio / facit in Mantua / 18..
De cello die het NMF in de collectie heeft is uitermate zeldzaam.
Strad: The Odd Couple, Philip Kass/Andrea Zanré, 1-9-2016.
Blot E., 2001, Liuteria Italiana - Piemonte, Eric Blot Edizioni, Italy.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Ingles and Hayday; The violin makers of Mantua, geraadpleegd in 2022.
Tarisio, Cozio archive, geraadpleegd in 2022.
Geneanet, geraadpleegd in 2022.