Doorgaan naar content
bouwer

Giuseppe Antonio Rocca

*1807 , Barbaresco      †1865 , Genua

Giuseppe Rocca wordt nu gezien als een van de grootste Italiaanse bouwers van de negentiende eeuw, maar die waardering kwam pas lang na zijn dood; tijdens zijn leven moest hij veel moeite doen om erkend te worden. Zijn werk kent veel hoogtepunten, maar ook bouwde hij instrumenten waar hij zelf bij nader inzien niet tevreden over was.

Hij werd geboren in de Italiaanse Piemonte en bleef daar zijn hele leven werken. Zijn eerste en enige leermeester was Pressenda in Turijn. Daar bleef hij maar drie jaar voor hij zijn eigen zaak begon. Na veel tegenslagen vond hij zijn definitieve inspiratie in de ‘Alard’-viool van Guarneri en de ‘Messiah’ van Stradivari. Op basis van deze instrumenten bouwde hij zijn eigen variant.

Rocca stond bekend om zijn onstuimige karakter. Mede daardoor had hij geen leerlingen en onderhield hij geen relaties met mensen die het voor hem verder konden helpen. Alles wat Rocca bereikt heeft is zijn eigen verdienste geweest.
Werkplaats(en)
Genua en Turijn, 1838-1865

Een bewogen leven vol ingrijpende gebeurtenissen

Giuseppe Rocca werd geboren in Barbaresco, in de provincie Piemonte. Op zijn tiende verhuisde hij met zijn vader Giovanni Baptista Rocca en zijn moeder Maria Teresa Racca naar het nabijgelegen Alba waar zijn ouders oorspronkelijk vandaan kwamen. Daar begon een bewogen leven vol ingrijpende gebeurtenissen. Dat waren niet alleen de vijf huwelijken die eindigden met de dood van vier echtgenotes, maar ook incidenten die hem bij advocaten en notarissen brachten. Hij was opvliegend, impulsief en romantisch; een combinatie van eigenschappen die een regelmatig en stabiel leven in de weg stonden, maar geen belemmering vormden voor een loopbaan als groot vioolbouwer.

Over zijn eerste jaren in Alba is weinig met zekerheid bekend; hij komt in de archieven van Alba voor als leerling klokkenmaker, maar daar blijft het bij. Wel zeker is dat Rocca in 1827 anderhalf jaar lang in dienst ging. Na zijn terugkomst in Alba trouwde hij eind 1828 met Anna-Maria Calissano. In dat jaar begon hij in het centrum van Alba een brood- en pastabakkerij. Zijn leven leek voorspoedig te verlopen tot hij op één dag zijn moeder en zus verloor.

Giovanni Pressenda

Halsoverkop naar Turijn

Vier jaar na zijn huwelijk kreeg hij een dochter. Zijn geluk duurde maar kort, twee jaar na haar geboorte stierf zijn vijfentwintig-jarige vrouw Anna-Maria. Het vermoeden bestaat dat hij daarom niet langer in Alba wilde blijven en halsoverkop vertrok naar Turijn, waar hij bij de vioolbouwer Giovanni Pressenda aan een nieuwe loopbaan begon. Pressenda was net als Rocca opgegroeid in Alba en had in Turijn naam gemaakt. Naar Marengo Rinaldi later schreef, maakte Giuseppe Rocca al voor hij naar Turijn kwam enkele viola’s en violen. Dat verklaart mogelijk waarom hij zich na drie jaar al bekwaam genoeg achtte om voor zichzelf te beginnen.

Diep in de schulden

Rond 1837 begon hij met de voorbereiding van zijn eigen bedrijf; hij kocht hout, gereedschappen en huurde een werkplaats. In dat jaar trouwde hij met zijn tweede vrouw Caterina Barone, die uit een welgestelde familie kwam en een aanzienlijke bruidsschat beloofde mee te nemen. Helaas werden beiden kort na hun huwelijk zo erg ziek dat Giuseppe zijn plan tijdelijk moest laten varen. Hij had zich diep in de schulden gestoken en eiste daarom de bruidsschat van zijn eerste vrouw op die zijn vader had achtergehouden en deed dat ook bij de familie van zijn tweede vrouw. Een jaar later, in 1938, kon Giuseppe Rocca zijn eigen zaak openen.

‘Zijn klanten bleven weg en zijn financiële situatie werd opnieuw nijpend.’ 

Hij maakte nog enige tijd ruwe violen voor Giovanni Pressenda en bouwde daarnaast zijn eigen instrumenten. Ondanks het feit dat hij maar drie jaar in de leer was geweest en zijn eerste eigen werk niet perfect was, toonden zijn instrumenten al wel de aanleg en de individualiteit van Rocca. In de eerste twee jaar kon zich helemaal toeleggen op het bouwen van instrumenten. Dat veranderde toen zijn vader in 1839 stierf. Vanaf dat moment begon Giuseppe Rocca een slepend juridisch gevecht, met zijn vaders testament als inzet. Het effect was dat zijn werk er in veel opzichten onder leed. Zijn klanten bleven weg en zijn financiële situatie werd opnieuw nijpend. Pas nadat hij in het gelijk werd gesteld verbeterde die. De juridische overwinning werd echter al in 1842 volledig overschaduwd door de dood van Caterina. Lang bleef hij geen weduwnaar. Kort daarop trouwde hij met Giuseppina Quarelli en kreeg in 1843 zijn eerste zoon. Pressenda was getuige bij zijn dit huwelijk en bij de aangifte van Rocca’s zoon.

‘[...] aan Rocca zou later de eer te beurt vallen om geschiedenis te schrijven met wat wel zijn ‘Italiaanse herinterpretatie' genoemd werd van Stradivari en van Guarneri del Gesù [...]’ 

In deze woelige periode vroeg de handelaar, kenner en eigenaar van vele kostbare violen Luigi Tarisio hem om reparaties uit te voeren aan enkele van zijn instrumenten, vermoedelijk waren dat de ‘Alard’-viool van Guarneri del Gesù en de ‘Messiah’ van Stradivari. Deze klassieke instrumenten werden een nieuwe bron van inspiratie voor Giuseppe. Hij veranderde zijn Pressenda-model en begon zich toe te leggen op het bouwen van een moderne variant van deze meesters. Tot dan toe was men in Italië voornamelijk gericht geweest op Franse bouwers die hun versie van Stradivari maakten, aan Rocca zou later de eer te beurt vallen om geschiedenis te schrijven met wat wel zijn ‘Italiaanse herinterpretatie' genoemd werd van Stradivari en van Guarneri del Gesù die tot dan toe in Italië nauwelijks aandacht had gekregen.

De etiketten van Giuseppe Rocca getuigen van de locaties waar hij gewerkt heeft en zijn inzendingen naar tentoonstellingen. Foto met dank aan Tarisio.

Het noodlot sloeg weer toe

Vanaf 1844 begon voor hem een min of meer stabiele periode waardoor hij zich helemaal kon toeleggen op zijn werk. Tussen 1844 en 1850 stuurde hij iedere twee jaar instrumenten in naar tentoonstellingen. Daarna sloeg het noodlot weer toe; zijn derde vrouw overleed eind 1850, drie jaar na de geboorte van hun derde zoon. Vanaf dat moment nam de hectiek in zijn leven weer de overhand. Hij bleef achter met drie kinderen en zag de concurrentie toenemen. Er deden al snel verhalen de ronde over zijn onstuimige gedrag. Dat nam niet weg dat hij enkele maanden na de dood van zijn vorige vrouw weer trouwde. Met zijn vierde vrouw ging hij naar Genua, waar hij enige tijd werkte. Kort reisde hij tussen Turijn en Genua heen en weer tot hij zich pas in 1851 voor langere tijd in Genua vestigde. Daar bereidde hij zich voor op de grote tentoonstelling in Londen, waar hij zijn Stradivari- en zijn Guarneri-model naar toe stuurde. In 1854, 1855 en in 1856 nam hij met wisselend succes opnieuw aan tentoonstellingen deel; soms ontving hij geen of slechts een eervolle vermelding, maar op die van 1855 in Genua refereerde de jury aan zijn in 1846 ingezonden viool en cello als ‘meesterlijk gebouwd’.

Ook zijn vierde echtgenote, wiens naam we niet kennen, stierf na slechts een korte tijd met Rocca getrouwd te zijn geweest. Na haar dood in 1854, verviel de noodzaak om in Genua, haar geboorteplaats, te blijven en pendelde Rocca opnieuw tussen Turijn en Genua heen en weer. Na in 1861 getrouwd te zijn met zijn vijfde echtgenote, Filomena deFranca, vestigde hij zich definitief in Genua.

Italië verkeerde in een moeilijke periode; de gewelddadigheden waarmee de eenwording van de republiek gepaard gingen, waren ten koste gegaan van het muziekleven. Financieel ging het Rocca daardoor wederom minder voor de wind; niet in staat om het dure esdoornhout voor zijn instrumenten te betalen, bouwde Rocca in die tijd maar matige violen. Het commentaar van de jury op de inzending van 1861 in Florence vermeldde dat zijn ingezonden instrumenten van ‘een wisselende kwaliteit waren, niet bijzonder gebouwd en de afwerking te wensen overliet’. Zijn medaille werd hem dan ook uitsluitend toegekend voor de goede klank.

Opvliegende natuur

In die tijd waren vioolbouwers in hoge mate afhankelijk van erkenning door invloedrijke personen. Dat vergde een goede relatie met hen. Rocca’s persoonlijkheid stond die in de weg, zo menen zijn biografen. Hij werkte alleen, nam geen leerlingen aan en zijn opvliegende, onrustig natuur zorgde vaak voor problemen. Des te opmerkelijker is het dat Rocca zich een plaats wist te verwerven tussen de allergrootste bouwers van zijn tijd.

Lang heeft hij niet van zijn erkenning kunnen genieten; hij overleed in 1865 door een ongelukkige val in een waterput. Over de oorzaak werd veel gespeculeerd; zijn zoon Enrico zou in een later verschenen interview suggereren dat Giuseppe Rocca, gedreven door een slecht huwelijk, zelf een einde aan zijn leven had gemaakt.

Rocca had vier kinderen; een meisje uit zijn eerste huwelijk en drie jongens uit zijn derde huwelijk. Zijn jongste zoon, Enrico zou in zijn vaders voetsporen treden en ook vioolbouwer worden.

Werk en invloed

Rocca wordt beschouwd als een van de grootste Italiaanse vioolbouwers van de negentiende eeuw. Zijn eerste modellen die hij vanaf 1838 bouwde waren exacte kopieën van Pressenda, maar later gaf hij ze persoonlijke details mee waardoor zij zich onderscheidden van zijn leermeesters instrumenten.

Pressenda was opgeleid in de Franse traditie van vioolbouw; hij had het vak geleerd van Franse bouwers uit Parijs die in dienst waren bij zijn werkgever Lété-Pillemont. Veel van deze bouwers hadden het vak op hun beurt weer in Mirecourt geleerd en die kennis meegenomen naar Italië. Pressenda had zijn eigen modellen ontwikkeld na veel geëxperimenteerd te hebben. Hij gebruikte vaak prachtig hout en een indrukwekkende lak. Drie leerjaren waren voor Giuseppe Rocca genoeg om Pressenda’s versie van de Franse bouwtraditie over te nemen.

Een eigen interpretatie

Vanaf 1842, nadat hij de violen van Guarneri en Stradivari in handen had gehad, sloeg zijn voorkeur in korte tijd om. Hij bouwde zijn instrumenten niet meer op uitwendige mallen zoals Pressenda, maar gebruikte de Cremonese binnenmallen waar de violen omheen werden gebouwd. De welvingen paste hij aan aan die van Guarneri’s en Stradivari’s instrumenten. Zijn werk beperkte hij rond 1845 tot twee modellen, zij het dat hij er ook hier weer een eigen interpretatie aan gaf. In die tijd bouwde hij uitstekende instrumenten.

Rocca experimenteerde weinig, maar combineerde soms wel elementen van de oude meesters met elkaar. Zo zijn er instrumenten van hem bekend met de vorm van ‘de Messiah’ van Stradivari en sleutelopeningen zoals Guarneri die maakte.

Verschillende etiketten

Afhankelijk van zijn financiële situatie wijken houtgebruik en lak soms af van het ideaalbeeld; geen mooi gevlamd hout, maar eenvoudig populierenhout uit de streek of esdoornhout met kleine noesten dat hij repareren moest voor hij het verwerkte. Ook de lak die hij gebruikte wisselde sterk; in 1848 roemde de jury die nog als ‘de lak die in zijn samenstelling Stradivari dicht benaderde’, maar er zijn ook instrumenten met een weinig indrukwekkende afwerking van hem bekend. Vooral in Genua bouwde hij instrumenten die niet erg gewaardeerd werden. Om deze toch te kunnen verkopen verving hij de etiketten door zijn Turijnse en antedateerde ze.

Etiket Giuseppe Rocca. Foto met dank aan Benning Violins.

Giuseppe Rocca verhuisde voortdurend, daarom gebruikte hij ten minste vier verschillende etiketten waarop zijn verblijfplaats en een jaartal vermeld staan. Na onderzoek is gebleken dat die niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid; Rocca verwijderde ze soms om er één van zijn andere etiketten in te kunnen plakken.

De beste instrumenten van Rocca worden nu zeer hoog gewaardeerd door hun markante voorkomen gebaseerd op een persoonlijke interpretatie van zijn twee grote voorgangers en door hun goede klank.

De viool die het NMF in de collectie heeft is van 1844; alles aan dit instrument wijst op zijn beste periode. Hij had net de ‘Alard’ en de ‘Messiah’ kunnen bestuderen en stuurde in dat jaar zijn eerste viool naar de tentoonstelling.

Bronnen

  • Blot E., Liuteria Italiana IV - Piemonte, 2001, The life of Giuseppe Rocca, Eric Blot Edizioni, Italy.

  • Kass P., 2009, Guadagnini-re-evaluated, Turijn

  • Miyasaka T., 2017, J. F. Pressenda-Italian passion hidden behind consistency of form, zp.

  • Giordano A., 2014, The Strad,

  • Landon Ch., 2007, The Strad

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht 2019

Auteur
Jan Boekhout
Datum
29 november 2019