
viool
Filipe Fernandes
*±1640 , Bologna †1713 , Bologna


Voorbeeld van een door een kistenmaker vervaardigde 'scatola'
Giovanni’s vader, Gaspare, was een ‘scatolaro’ (kistenmaker) die, volgens de onderzoekers Regazzi en Pascal, ook luiten, gitaren en andere instrumenten bouwde, iets dat veel ‘scatolari’ in Noord-Italië deden. Giovanni’s geboortedatum is niet teruggevonden, maar aangenomen wordt dat die rond 1640 ligt. Giovanni heeft in zijn jonge jaren door zijn vaders werkzaamheden ongetwijfeld kennisgemaakt met vioolbouw. En afgaande op zijn eerste eigen instrument was die eenvoudig van aard. Niet alleen zijn vader en Felice, maar ook Giovanni’s oom Pietro Andrea (1647-1713) was vioolbouwer. Om nader kennis te maken met de vioolbouw was er weinig nodig; naast de familie Tononi waren er in die tijd nog zeker tien andere vioolbouwers werkzaam in de stad die rond de 60.000 inwoners telde.

Palazzo Pepoli, Bologna
Giovanni was volgens het stadsarchief een ‘gitarraro’, in Bologna een benaming voor zowel vioolbouwer als maker van gitaren en luiten. Hij trouwde in 1670. In dat jaar werd zijn zoon Felice geboren en vijf jaar later Carlo Annibale. Een eigen bedrijf, waar hij onder eigen naam instrumenten bouwde, had hij nog niet. Het is denkbaar dat Giovanni vanaf 1675 tot 1688 violen voor andere vioolbouwers in de stad maakte. Volgens John Dilworth was hij pas in 1688 actief als zelfstandig bouwer. Getuige het feit dat Giovanni al rond 1690 voor de meest invloedrijke familie Pepoli in Bologna werkte, had hij in korte tijd al een naam van betekenis opgebouwd.
In 1680 zat Giovanni Tononi nog in de Corte Galluzzi, dat niet meer was dan een kleine steeg. Vanaf 1681 had hij al een werkplaats aan de Piazza Pavaglione, in het centrum van de stad en dicht bij de San Petronio-basiliek. Dat Giovanni te midden van de vele bouwers in Bologna snel naam maakte, kan ook worden opgemaakt uit de hoge taxatiewaarde van een van zijn cello’s die zich in 1700 in de afgebrande werkplaats van Andrea Fancelli bevond. Uit het etiket in die cello dat 1697 vermeldt, kan worden opgemaakt dat hij voor die tijd was verhuisd van Piazza Pavaglione naar een betere locatie: het Via San Mamolo, tegen de Piazza Maggiore aan, waar het Teatro Communale aan stond en dat het culturele centrum van Bologna was. In de Via San Mamolo droeg de werkplaats de naam: all Insegna di S. Cecilia.
In Bologna waren er ruwweg twee stromingen in de vioolbouw. De eerste vindt zijn oorsprong eind vijftiende, begin zestiende eeuw waarin uitstekende luitenbouwers uit Füssen (Zuid-Beieren) naar Noord-Italië waren gekomen. Zij hadden in Bologna een stevige basis voor de bouw van instrumenten in de stad gelegd. Veel van hun nakomelingen werkten er nog steeds. Zij hadden een eigen stijl en manier van bouwen en hielden die nog lang vast. Daarnaast was er een andere stroming, één die uit Cremona kwam, in het bijzonder die van de familie Amati. Bij de laatste sloot Giovanni Tononi zich overwegend aan.
San Petronio-basiliek, Bologna. Houtsnede.
In Tononi’s omgeving speelde muziek een grote rol; in de Petroniusbasiliek werd kerkelijke en in de Accademia Filarmonica profane muziek uitgevoerd. De in 1666 opgerichte Accademia specialiseerde zich in strijkinstrumenten en zang. G. Benvenuti, leraar van Corelli, was een van de hoofdfiguren van de violistenschool aan de Accademia en bevriend met Tononi. Vitali was eerste violist van San Petronio maar ook een van de oprichters van Accademia Filarmonica. Mede door hun toedoen werd Bologna een plaats waar veel grote muzikale persoonlijkheden uit heel Europa voor korte of langere tijd verbleven: Wolfgang Amadeus Mozart, Arcangelo Corelli en Carlo Broschi bekend als “Farinelli" en componisten als Giuseppe Torelli, Giacomo Antonio Perti, Antonio Vandini. Giovanni Battista Martini, muziektheoreticus van de Accademia, was een van Mozarts leraren.
Giovanni Tononi leefde in een internationaal cultureel klimaat. Bologna gold als een van de steden die onmisbaar waren in de ‘Grande Tour’ die kunstenaars en schrijvers uit Spanje, Frankrijk, Engeland en Duitsland ondernamen voor hun culturele ontwikkeling. Dat leidde tot kosmopolitisme dat een enorme aantrekkingskracht had op studenten. De universiteit van Bologna bloeide, maar het modernisme dat de nieuwe tijd met zich mee bracht leidde ertoe dat het wetenschappelijk werk door het Vaticaan sterk onderdrukt werd.
Niet alleen componisten, maar ook talenten uit heel Europa die op topniveau viool of cello wilde leren spelen, trokken naar Bologna. De Accademia was het eerste muziekinstituut in Europa dat een degelijke opleiding bood. Dat alles had een grote invloed op de vioolbouw in de stad. Naast Giovanni Tononi werkten er nog zeker tien andere vioolbouwers in Bologna.
Giovanni Tononi leidde zijn zaak met behulp van zijn zoon Carlo Annibale en vermoedelijk ook van zijn andere zoon Felice. Giovanni’s broer Pietro Andrea, die iets jonger was, stond wel als ‘gitarraro’ te boek, maar had geen eigen bedrijf. Hij hielp Giovanni vermoedelijk tot 1709 bij het maken van instrumenten. Door zijn huwelijk werd hij vermogend en komt daarna als vioolbouwer niet meer voor. Ten slotte leerde Giovanni’s jongste zoon Antonio Maria het vak ook en werkte eveneens mee.
Carlo had zich onder leiding van Giovanni ontwikkeld tot een zeer vakbekwame vioolbouwer die niet alleen voor Giovanni bouwde, maar ook al rond 1702 begon om instrumenten onder eigen naam te verkopen.
(Deel van) gezicht op Bologa, F.B. Werner, ca. 1750
Bologna was in muzikaal opzicht behoudend, het opkomende Venetië vooruitstrevender en beduidend dynamischer. Vroege biografen waaronder Joseph Pearce (of Sheffield), noemden in 1866 Giovanni Tononi al in relatie tot Venetië, maar daarvoor is geen feitelijk bewijs. Wel bestaat er een viool met een etiket waarop zijn zoon Carlo al in 1700 Venetië vermeldt als plaats waar hij het instrument bouwde. In dat jaar werkte hij nog voor Giovanni. Mogelijk dat Carlo de werkplaats van zijn vader wilde verruilen voor één in Venetië of dat hij de nieuwe cultuur wilde verkennen en ook voor korte tijd naar Venetië toe ging. In ieder geval was hij in 1701 weer terug in Bologna. Het gilde in Venetië was dermate streng dat vrijwel niemand van buiten de stad er zich zonder een lange en ingewikkelde procedure mocht vestigen.
Eenmaal terug in Bologna nam de productie van de familiewerkplaats mede door Carlo aanzienlijk toe en naarmate Giovanni ouder werd, nam Carlo daar een steeds belangrijkere plaats in. Gaspare leefde lang; hij werd 86 jaar en overleed in 1693, Giovanni in 1713. Carlo nam na diens overlijden de plaats van zijn vader in.
Tot 1717 produceerde Carlo in Bologna nog uitstekende instrumenten, maar hij vertrok in dat jaar definitief naar Venetië. Uit notariële akten blijkt dat hij schulden had die in de stadstaat Venetië niet opgeëist konden worden. Daar werd hij ondanks de grote concurrentie een zeer vooraanstaande vioolbouwer.
Giovanni Tononi werkte voor zijn violen en altviolen overwegend naar het Amati-model, maar in de uitwerking daarvan varieerde hij wel. Sommige zijn elegant, maar soms ook op de Stainer-manier een beetje ‘hoekig’, zoals sommige kenners ze omschrijven. Hij gebruikte een breed scala aan materialen: van een effen esdoorn achterblad tot intens gefigureerd hout.
Met nogal kleine en krappe rondingen is de krul kenmerkend voor Tononi, vooral bij de cello's. De f-gaten zijn goed gesneden en open, niet altijd symmetrisch en een beetje dicht bij elkaar geplaatst.
De nauwkeurig gemaakte randinleg is van beukenhout en loopt tot ver in de hoeken door. Tononi liet de gereedschapssporen vaak zichtbaar staan.
Over de hele periode van zijn loopbaan bekeken, varieert de lak die hij gebruikte nogal: van een zeer Amati-achtige gouden honingbruin tot een donkerder roodbruin, met een verscheidenheid aan texturen.
Vermaard zijn Tononi’s cello’s. Zij zijn van groot formaat, op een manier die doet denken aan het beste werk van Goffriller. Het bovenblad van sommige cello’s is niet uit twee, maar uit meerdere delen samengesteld, soms bestaat het wel uit vijf stroken. Vaak zijn ze asymmetrisch gebouwd.
Ioannes Tunonus fecit Bononiae / in Platea Pavaglionis / Anno Domini 1690
Ioannes Tunonus fecit Bononiae / in Platea Pavaglionis/Anno Domini 1696,
Ioannes de Tononis fecit Bononiae / in Via Mamuli Anno 1699
Mishkin H. G., 1939, The Solo Violin Sonata of the Bologna School New England Chapter of the American Musicological Society.
Moya H. Piper T, 1916, Violin tone and violin makers, Londen.
Jalovec K., Hamlyn P. 1964, Italian Violin Makers, London.
Schnoebelen. 1990, The Role of the violin in the resurgence of the mass in the 17th century. Early Music.
Regazzi R. en Pasqual S. 2019, Lutherie in Bologna: Roots & Success, Bologna.
I Pepoli a Bologna e in Europa, Archivio di Stato di Bologna, bezocht in 2025.