De opkomst van de Milanese vioolbouwkunst begon met de familie Grancino. Daarvóór had de stad op het gebied van de vioolbouw nog geen gevestigde traditie. Tot ver voorbij de helft van de zeventiende eeuw bleef hun atelier het enige van betekenis in Milaan. Andrea Grancino, de vader van Giovanni was er halverwege zijn leven mee begonnen, opgevolgd door zijn beide zonen Giovanni en Francesco. Van Francesco is geen enkel officieel document teruggevonden, het leven van Giovanni is daarentegen goed vastgelegd. Hij werd in 1637 geboren als tweede zoon van Andrea. Hun woning met atelier lag in de schaduw van de Dom, waar Andrea’s broer Maestro di Cappella was. Giovanni bouwde aanvankelijk veel violen en altviolen, later een groot aantal zeer goede cello’s. Hun werkplaats werd het centrum waar veel latere vioolbouwers het vak leerden.
Wij gebruiken uitsluitend functionele en geanonimiseerde cookies om de website goed te laten werken. Deze cookies verzamelen geen herleidbare persoonsgegevens. Meer informatie hierover vindt u op onze pagina over het cookiebeleid.