
viool
Robin Veldman

*1676 , Turijn †1751 , Turijn

Giovanni Celoniato werd geboren in 1676 in Turijn. De familie Celoniato woonde in een huizenblok dat tussen de Piazza San Carlo en het huidige Piazza Reale lag, een buurt waar eerder een aantal vroege vioolbouwers uit Parijs neergestreken waren. De stad was lang in handen geweest van de Franse Savoies die de Franse cultuur sterk bevoordeelde en het was de hoofdstad van de Piemonte.
De familie Celoniato was voornaam en welgesteld. Giovanni’s zus was hofdame bij de regerende vorst uit het huis Savoye, die zijn residentie in Turijn had. Hoe de jeugd van Celoniato eruitzag weten we niet, maar een belangrijk man in het leven van de jonge Giovanni was Enrico Cattenar (ca. 1620-1701). Hij was vioolbouwer op leeftijd, maar nog steeds productief en woonde bij de Celoniato’s om de hoek. Cattenars zoon, die net iets ouder was dan Giovanni, speelde bas in het ‘Cappella Regia’, het orkest dat het predikaat ‘koninklijk’ mocht dragen. Zelf had Cattenar instrumenten gebouwd voor het ‘Cappella Regia’ dat muziekuitvoeringen aan het hof verzorgde.
Of Giovanni Francesco Celoniato ook daadwerkelijk zijn leerling geweest is, weten we niet met zekerheid. In Turijn waren er geen gilden die, zoals in de meeste andere steden, er een goede administratie op na hielden, maar de instrumenten van Giovanni en die van Cattenar hebben voldoende overeenkomsten om te zien dat hij veel van de oude meester geleerd heeft. In 1701 stierf Cattenar. Mogelijk heeft Celoniato enige tijd bij een andere bouwer gewerkt, want pas in 1710 verscheen de eerste viool van zijn hand die voorzien was van een etiket. In korte tijd werkte hij zich op en kon de plaats van Cattenar als vioolbouwer van het Cappella Regia innemen. Cattenar werd geroemd om zijn violen, Celoniato blonk uit in het bouwen van cello’s.
In 1696 trouwde Giovanni Francesco en kreeg vier zonen. Twee ervan, Giovanni Giuseppe Celoniato en Filippo Antonio Eugenio, bekleedden een invloedrijke positie in het Cappella Regia en in het Teatro Reale. Daarnaast bouwden ze, net als hun vader ook strijkinstrumenten. Veel hebben ze vermoedelijk niet gebouwd. Na 1720 zijn enkele violen van de oudste zoon bekend, en van de jongste nog een kleine achtsnarige viool, een zgn. ‘pochette d’amour’.
Voor het zich vernieuwende ’Cappella del Duomo’ mocht Giovanni Francesco Celoniato de instrumenten bouwen
Het orkest ‘Cappella Regia’ speelde voor Giovanni een belangrijke rol. Het verzorgde de muziek aan het hof, in de kathedraal en daarnaast droeg het grotendeels de muziekcultuur in de stad. De regerende vorst van Savoie liet de beste musici uit binnen- en buitenland komen en betaalde de orkestleden en solisten goed. Ten opzichte van Venetië en andere grote steden was tot 1700 de muzikale cultuur in Turijn nog behoudend, maar daarna onderging het orkest een hervorming. Instrumenten uit de vroege baroktijd, werden vervangen door meer in de tijd passende. Ook de naam van het orkest werd veranderd. ‘Cappella Regia’ werd ‘Cappella del Duomo’ en kreeg de reputatie een van de beste van Europa te zijn. Hun violisten blonken uit in virtuositeit. Voor het zich vernieuwende ’Cappella del Duomo’ mocht Giovanni Francesco Celoniato de instrumenten bouwen.
Het hof stimuleerde Frans vakmanschap op ieder gebied en bevoordeelde Frans talent. Veel goede musici werden uit Frankrijk gehaald om in Turijn te werken, waaronder twee familieleden van de componist François Couperin. De een kreeg een baan als kapelmeester, de ander werd bestuurder van het Teatro Reale. Daarop volgde een jarenlange uitwisseling tussen musici uit Turijn die in Parijs gingen werken en andersom, onderbroken door het uitbreken van de oorlog die in 1706 uitmondde in een lange belegering van Turijn.
Somis
In hetzelfde huizenblok als waar de Celoniato’s woonden, werd Giovanni Battista Somis (1686-1763) geboren. Hij was een veelbelovend violist en ging studeren bij Arcangelo Corelli in Rome. Toen hij in 1706 terugkwam naar Turijn werd hij benoemd tot leider van het ‘Cappella del Duomo’ en later tot viooldocent. Zijn virtuositeit drong door tot Parijs en veel Franse leerlingen kwamen naar Turijn om les van hem te krijgen. Deze violisten namen meestal hun eigen instrument mee. Dat waren veelal nog instrumenten die ongeschikt waren voor het ‘moderne’ virtuoze spel dat zij bij Somis leerden. Celoniato die voor Somis een viool gebouwd had, kreeg via hem veel instrumenten van zijn Franse leerlingen in handen. De Fransen bleken gretige kopers te zijn van Italiaanse instrumenten, die Celoniato door zijn contacten met andere handelaren vaak wel kon leveren.
Zoals voor vrijwel alle vioolbouwers, was de handel in oude instrumenten een belangrijk bron van inkomsten. Voor de vioolhandel nam Parijs de centrale rol in in Europa. Parijse handelaren zochten naarstig naar contacten ten zuiden van de Alpen die hen Italiaanse instrumenten zouden kunnen leveren. Die waren in Parijs zeer in trek. En daar Turijn in Franse handen was en van oudsher een handelsroute met Parijs onderhield, gingen rondreizende handelaren er vaak op bezoek.
In Parijs was de uit Turijn afkomstige Andrea Castagneri (1696–1747) een van de zakelijk contacten voor Giovanni Celoniato. Hij was als jong violist naar Parijs vertrokken waar hij bij het prestigieuze ’24 violons du Roy’ ging spelen. Giovanni kende Andrea uit diens jonge jaren omdat hij geboren was in hetzelfde huizenblok. Rond 1720 werd Andrea Castagneri vioolbouwer en handelde in antieke Italiaanse instrumenten. Andrea ging niet terug naar Turijn maar bleef in Parijs, waar hij een belangrijke schakel voor Celoniato met Parijs werd.
Op zijn 70e werd Giovanni Celoniato zo ernstig ziek dat hij in 1746 zijn testament liet opmaken. Dat jaar bouwde hij nog één cello, maar moest daarna noodgedwongen stoppen met werken. Vijf jaar later stierf hij.
Op basis van opmerkelijke gelijkenissen tussen de instrumenten van Celoniato en die van de vioolbouwer Giovanni Battista Genova (werkzaam van ongeveer 1730 tot 1770) nemen kenners nu aan dat hij Celoniato’s leerling was. Na de dood van Celoniato in 1751 stond Genova geregistreerd op hetzelfde adres als Celoniato. Vermoedelijk zette hij Celoniato’s zaak dan ook nog enkele jaren voort.
Cozio di Salabue
In de collectie van graaf Cozio de Salabue, de achttiende-eeuwse kenner en verzamelaar van kostbare of bijzondere strijkinstrumenten, werd na diens dood een cello van Giovanni Celoniato aangetroffen. Opmerkelijk daar hij eerder uit geldnood het merendeel van zijn instrumenten had moeten verkopen. De Celoniato had hij echter gehouden.
De traditie in de vioolbouw waar Cattenar en Celoniato op aansloten, ging terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw. Tiroolse emigranten die gevlucht waren voor de oorlog van 1618-1648 hadden de eerste kennis over vioolbouw mee naar Turijn gebracht. Nadat de stad in handen was gevallen van de Fransen, namen enkele Parijse vioolbouwers op aandringen van de Savoies hun plaats in. Zij hadden het vak veelal geleerd van Hollands-Vlaamse vioolbouwers. De bouwwijze die uit deze kruisbestuiving ontstond, was de basis waarop de latere Turijnse vioolbouwers verder gingen. Enrico Cattenar werkte in zijn beginperiode op basis van deze vroege techniek. Zo lijmde hij de zijkanten niet tegen, maar in een groef van het achterblad. In zijn latere werk is meer invloed van het in populariteit groeiende Cremona terug te vinden. Celoniato gebruikte in de eerste jaren nog deze oude constructietechniek, maar ging later ook over op de bouwwijze die in Cremona gebruikt werd.
Bij Cattenar was de invloed van Andrea Amati zichtbaar; Celoniato’s instrumenten laten door de lange hoekpunten en de plaats van de f-gaten een wat grotere affiniteit met Stradivari zien. Sommige kenners vermoeden dat Celoniato ook het werk van Bergonzi heeft gekend, daar de hoekige bocht in het midden van de viool en de slanke f-gaten veel met die van Bergonzi overeenkomen.
De krul van Celoniato’s instrumenten is elegant, eigenzinnig en heeft meestal een smalle winding. De sleutelkast is opvallend smal en lang. De invloed van de vroege Parijse bouwers is terug te vinden in de kleur en consistentie van zijn lak. Die lijkt sterk op die in Parijs gebruikelijk was: harder dan die van Cattenar en altijd goud–geel tot goud-oranje van kleur.
Pochette Giovanni Francesco Celoniato, met dank aan © Musée de la Musique © Foto J.M. Anglès
Over de omvang van Celoniato’s oeuvre is nauwelijks iets bekend. Voor zover we weten hield hij er geen archief op na. In 1917 kende Alfred Hill maar vijf cello's en acht violen van Celoniato. Later zijn nog altviolen, meer violen en meer cello’s teruggevonden. Ook bestaat er een schitterend gedecoreerde pochette d’amour uit 1745 van hem.
Philip J. Kass is er stellig van overtuigd dat, net zoals bij de meeste vioolbouwers uit de Piemonte, ook de etiketten van Celoniato’s instrumenten in latere jaren vervangen werden door die van bouwers die meer opleverden dan instrumenten van Celoniato. Een bekend voorbeeld is een viool die later onmiskenbaar van Celoniato bleek te zijn, maar het etiket ‘Joseph Guarnerius, filius Andreæ fecit Cremona sub titulo St. Teresiæ, 1712’ droeg.
Van Celoniato zijn twee type cello’s bekend: een lang en smal model in de stijl van Stradivari’s ‘model B’ en een meer op Amati lijkend model dat breder en korter was dan zijn andere cello.
Op veel instrumenten zijn over het hele corpus sporen van gereedschap zichtbaar, maar het f-gat is juist weer scherp en zorgvuldig gesneden, evenals de hals en krul. Door dat verschil in zorgvuldigheid veronderstelt Rattray, die een cello uit 1740 van hem onderzocht, dat Celoniato die door een leerling liet maken. De randinleg heeft wat onregelmatig gevormde zwarte banen en een brede middenbaan.
Hij gebruikte voor zijn cello’s, en soms ook voor zijn altviolen, graag plaatselijk gevonden populierenhout.
Giovanni Celoniato had een gedrukt etiket met de tekst: 'Joannes Franciscus Celoniatus, fecit Taurini Anno 1734'.
Van de viool die het NMF in de collectie heeft, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat hij door Celoniato gebouwd werd. De beoordeling van verschillende experts is hierover niet eensluidend, maar de mogelijkheid kan ook niet worden uitgesloten. In de biografie staat omschreven dat er vrij weinig werk van hem bekend is, mede vanwege het vermoeden dat veel van zijn instrumenten werden voorzien van etiketten van andere bouwers met een hogere opbrengst als doel. Instrumenten met een origineel etiket van Celoniato zijn uiterst zeldzaam. Vooralsnog houdt het NMF dan ook als omschrijving aan dat de viool wordt ‘toegeschreven aan’ Celoniato. Mogelijk wordt in een later stadium meer zekerheid verkregen over de herkomst en authenticiteit.
Rattray D., 2011, Masterpieces of Italian Violin making. Cremona.
Frazier, B, 2007, Cozio, Count Ignazio Alessandro di Salabue, Memoirs of a Violin Collector, Baltimore.
Kass, P. J., ‘Modern Historical Research: The Violin as Art’, Journal of the Violin Society of America.
Thöne J., 2003, Italian & French violinmakers, Grottamare.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2001,Italian & French Violin Makers, Keulen.
Blot E., 2001, Liuteria Italiana - Piemonte, Eric Blot Edizioni, Italy.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Sacchi, F, 1898, Count Cozio di Salabue: Celebrated Violin Collector, London.
Tarisio; Cozio archive, bezocht in 2022.
Archivio di Stato di Torino, geraadpleegd in 2022.