
viool
Sarah Kapustin

*± 1642 , Bologna †± 1710 , Brescia
Giovanni Battista Rogeri werd rond 1642 geboren in Bologna. Over zijn ouders en zijn vroege jeugd is niets bekend. Vermoedelijk vertrok hij in 1661 naar Cremona om in de leer te gaan bij Nicolò Amati. Amati nam gewoonlijk alleen familieleden aan als leerling, maar de pest had hem gedwongen om daar van af te zien en zelfs van buiten Cremona leerlingen toe te laten. Daar was Giovanni Rogeri een van de eersten van. Na zijn opleiding vertrok Rogeri en vestigde zich in 1664 in Brescia.
Deze stad had een historie op het gebied van instrumentenbouw die terug ging tot de 15e eeuw. Rond 1490 wordt voor het eerst een atelier van een ‘Maestro delle viole’ (een viola da gamba-bouwer) vermeld in de archieven van Brescia. Daarna neemt het aantal instrumentenbouwers in een ongekend hoog tempo toe en in de tweede helft van de 16e eeuw komen er ook vioolbouwers bij. Die ontwikkeling had de stad sterk en onafhankelijk van Cremona’s invloed gemaakt. De verschillen tussen de beide bouwstijlen was terug te voeren op de verschillen in muziek die er gespeeld werd. De nadruk in Brescia lag op muziek voor groepen en ensembles en minder op solistisch spel. Bresciaanse vioolbouwers richtten zich dan ook meer op het maken van viola’s, viola da gamba’s, cello’s en contrabassen dan op instrumenten uit het hogere register. De Bresciaanse vioolbouwkunst had twee belangrijke vioolbouwers voortgebracht: Caspar da Salo en zijn leerling Giovanni Paolo Maggini.
Nadat de pest in het midden van de zeventiende eeuw ook Paolo Maggini, de laatste vioolbouwer in Brescia, het leven had gekost, had de stad de grootste moeite om het culturele leven weer op te bouwen. De meeste handwerkslieden hadden de pest niet overleefd en goede vakmensen van buiten de stad waren meer dan welkom. Giovanni Rogeri werd er gezien als vioolbouwer die bij kon dragen aan de opleving van de roemrijke tijden van weleer. Daar zou zeker nog twintig jaar voor nodig zijn. Tot die tijd was Rogeri nog steeds een van de weinige vioolbouwers in de hele streek rond Brescia.
Tot 1690 werkte hij vermoedelijk alleen, maar kreeg daarna hulp van zijn zoon Pietro Giacomo. Het is niet bekend bij wie Pietro zijn opleiding kreeg, maar toen hij bij zijn vader kwam werken had hij al enige ervaring. In de eenvoudigste instrumenten van Rogeri is de hand van Pietro zichtbaar. Het ontbreekt hem dan nog aan vakmanschap. Later zou hij zelf een groot bouwer worden. De eerste instrumenten van Pietro dateren pas uit 1705. Zij dragen dan zijn label. Hij latiniseerde zijn naam tot Ruggerius, waardoor men hem, en soms ook zijn vader, lange tijd verwisseld heeft met een van de bouwers van de Cremonese familie Ruggeri. Giovanni Battista Rogeri stierf in ca 1710. Ondanks het feit dat hij altijd naar Cremonese school was blijven bouwen, zou hij de geschiedenis in gaan als een Bresciaanse vioolbouwer.
Brescia lag in de 17e eeuw op het kruispunt van wegen in het muziekleven en de vioolbouw in Noord Italië. De Bresciaanse vioolkarakteristieken waren daardoor zelfs in Engeland, Duitsland en de Nederlanden terug te vinden. Veel invloeden die van buitenaf op Brescia afkwamen waren veelal gericht op verbeteringen van de klank, aan de bouwtechniek zelf veranderde lange tijd niet zoveel.
De Bresciaanse vioolbouw was markant en week af van de meer gebruikelijke Cremonese manier van bouwen. Toen Rogeri naar Brescia kwam, had de pest de volledige Bresciaanse vioolbouw traditie vernietigd. Rogeri was opgeleid in Cremona en bracht de daar geldende traditie mee. Door de oude, vrijwel verdwenen Bresciaanse manier van bouwen kon hij dan ook nauwelijks beïnvloed worden. Tot het eind van zijn leven bleef hij in de stijl van zijn leermeester werken en die was Cremonees. Dat hij desondanks wordt gezien als de verbinding tussen het oude en het nieuwe Brescia is niet vanwege de adoptie van bouwstijl, maar omdat Giovanni Rogeri de vioolbouw in Brescia levend hield.
Giovanni Rogeri droeg bij aan de opleving van Brescia door er elegante en gedistingeerde cello’s en violen te bouwen. Die waren anders dan die van de vrijere en meer geïmproviseerde stijl van de vroegere Bresciaanse bouwers. Rond 1690 maakte hij ook instrumenten op basis van Amati’s grote model. Deze worden tot zijn beste gerekend. Zijn techniek is dan al van het allerhoogste niveau.
De welving van zijn violen is gering en de vorm is enigszins hoekig. De f-gaten plaatst hij vrijwel rechtopstaand in het blad. Ze zijn voortreffelijk gesneden; lang, smal en elegant. De hoeken zijn dat ook: spits, scherp en buitengewoon goed van constructie. In tegenstelling tot de Bresciaanse traditie waarin de tekening van het hout niet het belangrijkst was, gebruikte Giovanni Rogeri materiaal van de hoogste kwaliteit. Veel van zijn achterbladen zijn prachtig gevlamd, met name die van zijn cello’s. Alleen bij zijn eenvoudige instrumenten deed hij concessies, daar liet hij bijvoorbeeld na om een echte randinleg in de achterbladen aan te brengen. Die liet hij gewoon weg of kraste ze er op.
De cello’s van Rogeri waren kleiner dan in die tijd gebruikelijk was. Ze komen in de buurt van het formaat zoals we dat nu kennen. In 1690 maakte hij een cello die zo schitterend was dat die de hele 19e eeuw doorging voor een Stradivari, totdat onderzoekers de echte bouwer ontdekten. Nu nog wordt het instrument ‘The Lancashire Strad’ genoemd. Zijn instrumenten zijn erg geliefd bij concertmusici.
De viool van Giovanni Battista Rogeri die het NMF in de collectie heeft is een mooi voorbeeld van wat hij in zijn beste tijd bouwde. Het instrument dateert vermoedelijk uit hetzelfde jaar als de ‘the Lancashire Strad’.
Blot. E, 2007,1520-1724 Liutai in Brescia, Brescia.
Hamma W., 1987, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Herrsching am Ammersee.
Tarisio; Cozio archive, the Brescian school by John Dilworth.