
contrabas
Sasha Witteveen

*±1762 , Florence †1840 , Florence


Florence, Ponte Santa Trinita, Fabio Borbottoni
In Florence waren 300 jaar lang de Medici’s de machthebbers geweest en vanaf 1737 de Habsburgse hertogen. Zij droegen er in hoge mate aan bij dat het muzikale leven in de stad floreerde. De Medici’s hadden hun eigen hoforkesten, zochten daar de beste musici voor en lieten instrumenten van de belangrijkste bouwers, van binnen en buiten hun gebied, aankopen. Daartussen zaten niet minder dan vier instrumenten van Antonio Stradivari. Na de hegemonie van de Medici’s veranderde daar niet veel in.
Hij [Pietro Leopoldo] wilde Florence tot voorbeeld maken van de Verlichting waardoor er nieuwe muzikale invloeden van buiten Italië sneller Florence binnenkwamen dan voorheen
Drie jaar na de geboorte van Gaspero Piattellini was de Habsburgse groothertog Peter Leopold I, zoon van de Oostenrijkse keizer, aan de macht gekomen. Hij was nog maar 18, voorbestemd tot vorst en opgeleid tot rechtsfilosoof. Maar Pietro Leopoldo was ook groot liefhebber van muziek. Direct na zijn aantreden liet hij een ensemble samenstellen waarin musici ‘met talent en faam’ moesten komen en nam de door Mozart bejubelde violist Pietro Nardini aan als concertmeester voor zijn ensemble: de Virtuosi da Camera. Eugenio di Ligneville, die door Mozart was geprezen als uitstekend contrapunctist, werd ‘Superintendant op de Muziek van de Koninklijke Kamer en Kapel’. De intendant had zich al vanaf 1768 ingezet om in Florence de opera’s en oratoria van Handel, Gluck, Hasse en Traetta uit te laten voeren waar ook de Virtuosi da Camera in geacht werden te spelen.
Pietro Leopoldo d'Asburgo Lorena, Anton Mengs, 1770
Voor alle musici en vioolbouwers in Florence was de komst van Pietro Leopoldo van Oostenrijk van groot belang. Hij wilde Florence tot voorbeeld maken van de Verlichting waardoor er nieuwe muzikale invloeden van buiten Italië sneller Florence binnenkwamen dan voorheen. En dat betekende tevens dat vioolbouwers hun instrumenten moesten gaan aanpassen aan nieuwe speelstijlen. Dat werd pas mogelijk doordat Pietro Leopoldo het conservatieve systeem van gildes had afgeschaft dat de Toscaanse vioolbouw gedurende eeuwen van vernieuwingen had weerhouden.
De collectie strijkinstrumenten waar de Medici’s mee waren begonnen, bleef ook nadat het huis van Lotharingen de macht overgenomen had in stand. Vermogende particulieren vormden een netwerk van patronages die uitvoeringen van profane muziek in de stad financierden. Zij onderhielden vaak ook de belangrijkste musici.
Gaspero Piattellini werd geboren rond 1762. Er zijn enkele contrabassen gevonden van een zekere Luigi Piattellini, van wie deskundigen menen dat hij de vader was van Gaspero en diens broer Luigi II, maar gegevens over hem zijn in het Florentijnse archief niet teruggevonden.
Als jongen begon Gaspero in het atelier van de belangrijkste vioolbouwer in Florence, Giovanni Battista Gabrielli. Daar werkte zijn twaalf jaar oudere broer Luigi II al enkele jaren. Gabrielli had veel leerlingen en medewerkers. Een van hen was Alvisio Piattellini, van wie we niets meer weten dat hij op zijn etiketten vermeldde een leerling te zijn geweest van Giovanni Battista Gabrielli en er een contrabas uit 1791 van zijn hand bewaard is gebleven. Of hij een broer dan wel een neef van Gaspero was is niet bekend. Gabrielli zelf overleed in 1771, maar de zaak werd aan de Via della Studio voortgezet door een van zijn broers.
De instrumenten van beide broers Piattellini werden later niet zelden aan Gabrielli toegeschreven
Gaspero Piattellini bleef in de familiewerkplaats van Gabrielli werken tot hij op zijn 25e trouwde. Gabrielli was een van de meest gerenommeerde vioolbouwers in Florence geweest, over wie een krant een paar dagen na zijn dood lovend schreef dat 'zijn violen aangeprezen werden door professoren in heel Italië en zijn instrumenten naar veel delen in Europa werden verstuurd’.
Gaspero Piattellini bouwde die voor zijn 25e nog steeds in het Gabrielli-atelier. Het waren experimentele, en Jakob Stainer-achtige ontwerpen van altviolen en cello’s die ook na zijn dood nog in het Gabrielli-atelier door andere medewerkers werden geproduceerd. Die waren zo succesvol dat veel Florentijnse handelaren nog lang zijn naam op etiketten drukten en in instrumenten van andere bouwers plakten. De instrumenten van beide broers Piattellini werden later niet zelden aan Gabrielli toegeschreven.
In de laatste jaren dat Gaspero Piattellini bij Gabrielli werkte, bouwde hij al instrumenten onder zijn eigen naam. Zijn vroegst bekende instrument is een viool uit 1780, Gaspero was toen 18 jaar oud.
Na zijn huwelijk in 1787 vertrok Gaspero Piattellini bij Gabrielli, ging eerst enkele jaren bij zijn oudere broer Luigi inwonen en in diens werkplaats werken, alvorens hij voor zichzelf begon. Kort na zijn huwelijk werd zijn zoon Gaetano geboren en die leidde hij zelf op. Na de dood van Gaspero zou Gaetano het bedrijf overnemen.
Met de ambities van de groothertog en zijn superintendant kreeg Gaspero Piattellini te maken via Bartolomeo Bimbi. Deze vioolbouwer was al in dienst van de Groothertog maar was daarnaast ook handelaar in instrumenten in Florence en Sienna.
Fragment van Riunione musicale, Marco Ricci. Let op het (kleine) formaat van de cello.
Een van de laatste dingen die Eugenio di Ligneville deed voor hij ontslagen werd, was Bartolomeo Bimbi aanstellen als adviseur en beheerder van de instrumentencollectie. Waarschijnlijk restaureerde Bimbi ook instrumenten bij het samenstellen van de collectie. Een rekening van Bimbi daarvoor werd later teruggevonden. Bimbi’s eigen cello's doen denken aan die van Amati, zijn violen zijn een mix van invloeden van Stainer en Amati.
De wijzigingen die Bartolomeo Bimbi liet aanbrengen aan de cello’s van de collectie moesten de instrumenten geschikt maken voor de nieuwe invloeden in de muzikale uitvoeringspraktijk. Dat deed hij niet allemaal zelf, maar hij huurde Gaspero en Luigi Piattellini in. Zij bouwden al kleinere cello’s dan de gebruikelijke grote maten en gaven deze cello’s een andere halshoek. Dat was ook precies wat Bimbi hen vroeg om met de cello’s van de hofcollectie te doen.
Toen Gaspero in 1791 zijn loopbaan net op orde had, overleed zijn broer Luigi en vertrok de groothertog Pietro Leopoldo uit Florence. De groothertog werd opgevolgd door zijn zoon, wat het begin was van een lange reeks machtswisselingen die pas eindigde in 1814, waarna Florence weer in Habsburgse handen kwam. Voor de Kunst, wetenschap en muziek was er niet erg veel veranderd. In de tussenliggende periode dat Florence onder Napoleon viel, had diens zus, die hij tot groothertogin van Florence had benoemd, de kunst, literatuur wetenschap en muziek sterk bevorderd.
In 1839 schreef Gaspares zoon Gaetano zich in het Florentijns archief in als vioolbouwer. Hij nam het bedrijf over toen Gaspero op 78-jarige leeftijd in 1840 overleed.
De instrumenten van Gaspero Piattellini blijken ook tijdens zijn leven gewaardeerd te worden. Dat blijkt uit het feit dat er tussen 1815 en 1819 slechts drie Toscaanse instrumenten voor de collectie van Groothertog Pietro Leopold werden aangekocht: een contrabas uit 1792 van Castelliani, een viool van Antonio Gragnani en een cello van Gaspero Piattellini.
De twee laatste instrumenten droegen oorspronkelijk geen labels van hun makers; de viool had een label van Nicolò Amati en de Piattellini-cello droeg er een van Antonio Stradivari.
Krul van de Piattellini contrabas (1825; extensie Melle Wondergem, 2025) uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds
Gezien het belang van muziek in het vroege 19e-eeuwse Florence moeten de vioolbouwers een grote productie hebben gehad. Toch zijn er maar weinig instrumenten van Gaspero Piattellini teruggevonden. Het vermoeden bestaat dat veel ervan van een ander label werden voorzien en nog niet zijn herleid tot Piattellini. Het weinige vroege werk lijkt nog erg op de instrumenten van Gabrielli. Latere violen en altviolen die van hem bekend zijn, zijn voor die tijd weinig gewelfd, met bruine en dun opgelegde lak afgewerkt. Zijn cello’s worden over het algemeen gezien als zijn beste werk.
Gaspero Piattellini gebruikte zowel een gedrukt als een handgeschreven etiket;
Gaspero / Piattellini / fece anno 1763
Rice. J., 2009, An early Handel revival in Florence, Londen
Barabaschi A., 2018, Stradivari’s Medici Quintet, lecture about the Stradivari Medici Quintet at the Library of Congress, Washington, D.C., in December 2018.
Leonhard F., 2022, The Grand Ducal Court restorers of stringed instruments in late 18th century Florence.
Pieri D, 2006, in Philomusica, Markies Eugène de Ligniville, Superintendant van Muziek van de Koninklijke Kamer en Kapel.
Mutschlechner M, The world of the Habsburgs, Hamann, Brigitte (Hg.): Die Habsburger. Ein biographisches Lexikon, Wien 1988
Rumpler H., 2005, Eine Chance für Mitteleuropa. Bürgerliche Emanzipation und Staatsverfall in der Habsburgermonarchie, Wenen
Academic Bass portal, bezocht in 2025