
viool
Silke Kolfschoten

*± 1794 , Rouvres-la-Chétive †± 1866 , Neufchâteau
Ook zijn twee zonen François-Hyppolite en Nicolas werden vioolbouwer. François Hyppolite volgden in Mirecourt ook een opleiding bij Gaillard, Nicolas werd onder meer door zijn vader opgeleid. Nadat zij hun opleiding voltooid hadden volgden zij hun vader naar het atelier in Neufchâteau. Na enkele jaren bij zijn vader gewerkt te hebben, ging Nicolas zijn geluk beproeven in Parijs waar hij een eigen atelier begon. Van dat avontuur keerde hij, zonder succes gehad te hebben, in 1857 terug naar het atelier van zijn vader in Neufchâteau. Vooral in de periode tussen 1856 en 1862 zouden de drie Caussins een groot aantal zeer goede strijkinstrumenten bouwen. Met name rond 1860 waren zij enorm productief. Na de dood van François in 1866 zetten zijn zoons het atelier voort; Nicolas voor korte tijd -hij opende in Neufchateau een eigen atelier- maar François Hyppolite bleef tot aan zijn dood in het atelier van zijn vader werken. In 1898 werd het atelier gesloten.
François Caussin werd in hoge mate beïnvloed door modellen van de grote Italiaanse meesters als Ruggeri, Serafin, Testore en Amati, en wel zozeer dat hij geen echt eigen model ontwikkelde. Met name de Amati violen kopieerde hij zo vakkundig dat ze gemakkelijk aangezien konden worden voor echte Amati’s. Zelden zette hij er zijn eigen etiket in, maar meestal dat van zijn voorbeeld, wat in die tijd zoveel betekende dat hij deze meester ermee een eer bewees. Later werden zijn instrumenten door hem op een dusdanige manier behandeld dat zij de indruk wekten al lang bespeeld te zijn. Hij gebruikte een prachtige, goud bruine lak die zijn instrumenten een mooie diepe glans gaf. In zijn werk liet hij ook altijd vaag zichtbare afdrukken achter van het gereedschap dat hij gebruikt had. De heldere, ‘liefelijke’ klank maakte zijn instrumenten erg gewild. Samen met zijn zonen bouwden zij op deze manier een groot aantal goede instrumenten.
Tussen 1850 en 1860 signeerden zij hun instrumenten zelden, waardoor zelfs experts het lange tijd moeilijk vonden om een instrument toe te schrijven aan een van de drie Caussins. Om die reden werd op veel certificaten dan ook vaak ‘school van Caussin’ of ‘atelier van Caussin’ vermeld. Pas toen François Hyppolite het atelier alleen runde maakte hij nog met succes de instrumenten zoals zij dat gezamenlijk deden, maar voorzag ze wél van zijn eigen etiket.
Net zoals veel traditionele vioolbouwers experimenteerde François Caussin graag. Zo bouwde hij bijvoorbeeld een viool met acht snaren en zes klankopeningen. Deze en nog een andere viool van zijn hand kwamen terecht in de collectie van het hof van de Tsaar van Rusland.
De viool van François Caussin die het NMF in bezit heeft dateert van rond 1830. In die jaren was François net begonnen in Neufchâteau, een periode waaruit maar weinig instrumenten van hem bekend zijn.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Cologne.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.