
viool
Marta Florit García
*± 1630 , Cremona †1698 , Cremona


Cremona, gravure Salmon Tommaso, circa 1750
Er bestaat een document uit 1685 dat er op wijst dat Francesco Ruggeri een goede, maar nog niet op waarde geschatte vioolbouwer was. Het was opgesteld door de violist en maestro di cappella Tomaso Vitali die een verzoek deed aan zijn werkgever, de hertog van Modena, om compensatie voor een bedrag dat hij had uitgegeven voor de aanschaf van een viool van Nicolò Amati. Dat instrument bleek bij nader inzien gebouwd te zijn door Francesco Ruggeri. De waarde van de Ruggeri bedroeg echter niet meer dan een kwart van wat Vitali ervoor had betaald. Het feit dat Vitali, die een buitengewoon ervaren en virtuoze violist was, het instrument als een Amati had geaccepteerd, illustreert wel dat Ruggeri een goede bouwer was. Nicolò Amati had een niveau van werken bereikt dat in zijn tijd zelden werd geëvenaard. Alleen Antonio Stradivari zou dit niveau later overtreffen. Vitali wilde slechts financiële compensatie, de Ruggeri behield hij.
Cremona lag op een kruispunt van grenzen en wegen die een groot netwerk vormden waarmee het verre oosten met het westen, en Noord-Europa met Turkije verbonden waren. Er vond een levendige handel plaats in gespecialiseerde gereedschappen, instrumenten, hout, olie, mineralen, verfstoffen, lijmen, leer, boeken en edelmetalen. Cremona leefde van de handel. Maar daarnaast werden ook nieuws, verhalen en muziek uit de vier windstreken uitgewisseld. Kennis over muziekinstrumenten uit de belangrijkste gebieden in Europa behoorde daar ook bij. Dat Cremona op de grens lag van een gebied dat de machthebbers betwistten, leidde soms tot uitbarstingen van geweld en bracht het dagelijks leven voor korte tijd tot stilstand.
De epidemie had een verwoestende uitwerking op Francesco’s geboortestad
Handelsroutes maakten steden kwetsbaar. Toen in 1630 de pest uitbrak in Noord-Europa, sloeg de epidemie binnen de muren van Cremona hard toe. De bewoners zagen zich daardoor vaak gedwongen om net buiten de stad te gaan wonen. Het vermoeden bestaat dat ook de familie Ruggeri verhuisde naar een veiliger oord dan de binnenstad, want Francesco werd rond 1630 in de parochie San Bernardo, net buiten de stadsmuren, geboren. Er bestaan slechts twee documenten over Francesco Ruggeri’s leven; zijn huwelijks- en zijn overlijdensakte. Een geboorteakte is nooit gevonden. Gezien de leeftijd waarop Francesco Ruggeri in 1652 trouwde, moet hij geboren zijn rond de periode waarin de pest net was uitgebroken.
Overlijdensakte Francesco Ruggeri, 28 oktober 1698 (merk op: het cijfer 8 wordt anders geschreven, nl. een kwart slag gedraaid). Foto met dank aan Carlo Chiesa.
De epidemie had een verwoestende uitwerking op Francesco’s geboortestad. De ziekte die zich verspreidde door rondtrekkende soldaten en handelaren, eiste een zware tol van de bevolking. Naar schatting stierf ongeveer driekwart van de inwoners van Cremona als gevolg van de pest en de daaropvolgende hongersnood. Muitende, onderbetaalde soldaten van elkaar rivaliserende machthebbers die door de streek trokken, verspreidden de ziekte niet alleen, maar zij plunderden en verwoestten alles dat zij op hun weg tegenkwamen.
De bezittingen van Girolamo (II) Amati werden geplunderd en verbrand
De vioolbouw in Cremona kreeg een zware klap te verduren. Aanvoer van materiaal stagneerde, medewerkers werden ziek of overleden en de vraag naar instrumenten nam af. Vioolbouwers zoals Girolamo II Amati en Nicolò Amati verloren familieleden of werden zelf getroffen door de ziekte. De bezittingen van Girolamo (II) Amati werden geplunderd en verbrand. Brescia, dat al een gevestigde plaats voor de vioolbouw was, werd vermoedelijk het hevigst getroffen. De vioolbouw dáár kwam abrupt tot stilstand.
Nicolò Amati door Jacques-Joseph Lecurieux
Toen de epidemie voorbij was, hadden de meeste Cremonese vioolbouwers de grootste moeite om hun bedrijf overeind te houden. Brescia was dan wel geen concurrerende plaats meer, maar de gevolgen van de pest ijlden nog lang na en in dure violen waren de meeste musici nog niet direct geïnteresseerd. Pas vanaf 1641 was het herstel in Italië merkbaar en werden er weer instrumenten besteld bij Nicolò Amati. Hij leidde een imposant vioolbouwbedrijf dat al generaties lang in de familie was en dat instrumenten leverde aan hoven, verzamelaars en musici in heel Europa.
Onder de vioolbouwers had Nicolò Amati ook de naam een voortreffelijke leermeester te zijn. Van ver over de grenzen kwamen leerlingen naar Cremona en die bleven voor korte of langere tijd bij hem. Hij nam mensen van buiten de familie aan, waaronder waarschijnlijk Antonio Stradivari, Andrea Guarneri en ook de vrijwel even oude Francesco Ruggeri. Onder zijn leiding bouwden zij instrumenten, niet onder de naam Amati, maar ‘Sub Discipline Nicolai Amati, in eius officina Cremonae’, zo ook Francesco Ruggeri.
Het huwelijk tussen Francesco Ruggeri en Ippolita Ravasi werd in 1652 gesloten in de San Bernardo parochie van Cremona. Dat lag in de wijk net buiten de muren van de stad. Eenmaal getrouwd verhuisde Francesco waarschijnlijk naar de binnenstad, waar hij een werkplaats had aan de Contrada Coltellai, vrijwel naast de families Amati en Guarneri met om de hoek het huis van Stradivari.
Cremona binnen de muren, eind 16e eeuw
Sommige onderzoekers, waaronder Carlo Chiesa menen op grond van het feit dat er geen documenten bestaan van zijn inwonerschap, dat Francesco na zijn huwelijk wèl buiten de stad bleef wonen. Anderen, waaronder Graham Hargrave maken het aannemelijk dat hij binnen de muren woonde. Behalve in de kloosters die ook net buiten Cremona lagen, was het namelijk buiten de stadsmuren ronduit onveilig. Bandieten en rovers plunderden wie niet onder de wettelijke bescherming van de stad viel. Uit de stad verbannen worden werd gezien als een zware straf, die niet zelden ongelukkig eindigde. Dat Francesco met zijn gezin vrijwillig buiten de muren zou leven en werken is, vanwege het gevaar, niet erg waarschijnlijk. Vioolbouwers zoals Amati en Ruggeri behoorden tot de betere stand en juist zij zochten de veiligheid binnen de stadsmuren. Mogelijk had Francesco wel een kleine werkplaats buiten de muren aangehouden, daar het stoken van de lakken zoals vioolbouwers gebruikten, vanwege het brandgevaar, niet binnen de stadsmuren mocht plaatsvinden. De meeste huizen in de stad zelf waren nog van hout.
De relatie tussen Nicolò Amati en de jongere Francesco was zo goed, dat Nicolò ermee instemde om peetvader te worden van zijn in 1658 geboren zoon Giacinto, die overigens op jonge leeftijd zou sterven. Francesco Ruggeri had nóg vier zonen die allemaal vioolbouwer zouden worden: Giovanni Battista uit 1653, Giacinto uit 1661, Vincenzo uit 1663 en Carlo, de jongste, die in 1666 werd geboren.
Vanaf 1656 tot 1659 werkte Francesco vermoedelijk bij Nicolò Amati. De expert W.E. Hill ziet in sommige instrumenten van Amati onmiskenbaar de hand van Francesco Ruggeri, zoals in een viool van Nicolò Amati uit 1658. Instrumenten met een etiket van Ruggeri uit die periode zijn niet gevonden. De eerste verschenen pas in 1660. De meeste leerlingen woonden bij Amati in huis. Daar werden vrijwel jaarlijks lijsten van bijgehouden. De lijst met medewerkers uit de jaren van 1656 tot 1659 ontbreekt, maar Andrea Guarneri die naast hem woonde, moet één van hen zijn geweest, evenals Francesco Ruggeri. Ook hij woonde te dichtbij om intern te zijn. De hoeveelheid instrumenten van Nicolò uit deze jaren wijst erop dat het atelier op volle capaciteit werkte.
....significante overeenkomsten tussen de vroege instrumenten van Antonio Stradivari en die van Francesco Ruggeri...
Carlo Chiesa, die veel onderzoek deed naar de Cremonese vioolbouwers uit de 17e eeuw, veronderstelt dat Francesco Ruggeri vanaf 1659 voor zichzelf begon en dat al in de loop van de 60-er jaren de productie van zijn werkplaats toenam en dat hij tenminste één -maar waarschijnlijk meer- medewerkers en leerlingen had. Op basis van verschillende significante overeenkomsten tussen de vroege instrumenten van Antonio Stradivari en die van Francesco Ruggeri lijkt het Chiesa, net als de meeste andere experts, onmiskenbaar dat Stradivari, die eerst bij Nicolò Amati aan zijn leerperiode was begonnen, zich bij Francesco Ruggeri verder bekwaamde in het vak en dus meewerkte aan de productie van Ruggeri’s werkplaats. De eerste viool die van Antonio Stradivari bekend is, dateert uit 1666. Daarin schrijft hij een leerling van Amati te zijn geweest (Alumnus Nicolai Amati). De viool waarin dit etiket zit, lijkt echter helemaal niet op een Amati, maar heeft veel meer weg van het werk van Francesco Ruggeri.
Halverwege de jaren ’70 tot eind ’80 nam de productie van Ruggeri’s werkplaats verder toe. Stradivari was een gevestigde bouwer die kostbare instrumenten verkocht, evenals Nicolò Amati. De vraag naar goede, maar niet zulke kostbare instrumenten als die van Amati en Stradivari, groeide en juist die bouwde Francesco Ruggeri. In die periode verschenen ook zijn eerste cello’s.
Ondanks dat de families elkaars concurrenten waren, bleef de relatie tussen de Ruggeri's en Amati’s ook in die periode goed. In 1689 werd Girolamo Amati II, de zoon van Nicolò, peetvader van Francesco’s kleinzoon.
Francesco Ruger 'detto il Per'. Foto met dank aan Carlo Chiesa
Vanaf het moment dat Francesco’s zonen oud genoeg waren, werkten zij mee. Alle instrumenten die de werkplaats verlieten waren voorzien van Francesco’s etiket. Instrumenten die Giacinto en Carlo later onder eigen naam en met een eigen etiket bouwden, zijn er niet en instrumenten van Giovanni Battista zijn schaars. Francesco werd in documenten 'il Per’ of 'detto il Per’ genoemd. Een achtervoegsel dat ‘de stok’ of ‘de lange’ betekende en dat hij ook altijd op zijn etiketten vermeldde. Het vermoeden bestaat dat hij zich daarmee wilde onderscheiden van vioolbouwers met dezelfde naam in Brescia. Om dezelfde reden wisselde hij soms de schrijfwijze van zijn naam en liet op zijn etiket het afwijkende Rugeri, Ruger of Rugier zetten.
Vanaf 1677 nam de familie Ruggeri met een toenemend aantal werkplaatsen een belangrijke plaats in Cremona in. Giovanni Battista begon in het centrum voor zichzelf en trouwde in dat jaar. Francesco’s andere zoon Vincenzo bleef tot 1689 bij Francesco werken, maar volgde zijn broer rond 1689 om zich vrijwel naast hem te vestigen. Hij bouwde voornamelijk violen, enkele altviolen en cello’s. Niet zelden zou zijn werk later worden toegeschreven aan zijn vader. Uit documenten blijkt dat Vincenzo in zeer goede doen kwam. Hij was bovendien nauw bevriend met Carlo Bergonzi van wie hij vermoedelijk ook de leermeester werd. Tenslotte trouwde ook Giacinto. Hij vestigde zich in 1692 eveneens in het centrum, ook weer niet ver bij zijn broers vandaan.
Giacinto overleed jong. In 1697, het jaar van Giacinto’s dood, liet Francesco zijn testament opmaken. Daarin beschikte hij dat hij alles zou nalaten aan Carlo die als enige bij hem was blijven werken.
Cello F. Ruggeri, ca 1680, uit de Dextra Musica collectie van de Spaarbankstichting van de Noorse DNB
Francesco bouwde violen, altviolen, een enkele contrabas, maar hij is vooral bekend geworden om zijn cello’s. Daarvan heeft hij twee soorten in verschillende maten voor verschillende muziekstijlen gebouwd. De grote waren populair voor het kerkelijke repertoire, terwijl de kleinere modellen vooral werden gebruikt voor wereldlijke muziek. Hij experimenteerde met de kleinere cello-modellen die nieuw waren voor die tijd. Stradivari en Andrea Guarneri hielden nog lang vast aan het grote cello-ontwerp dat doorgaans werd gebruikt. Dit kleine model van Ruggeri wordt ook nu nog steeds gebruikt. In zijn tijd was het revolutionair, omdat hij instrumenten maakte die zo’n 10 centimeter korter waren dan die van andere bouwers in Cremona. Dit kleinere formaat werd gewaardeerd door musici, vermoedelijk omdat het meer bewegingsruimte en gebruiksgemak gaf.
Het model van al zijn instrumenten is sierlijk, de f-gaten zijn kort, wijd en scherp uitgesneden. De zwarte stroken van de randinleg zijn breder dan de middenstrook. Zijn vernis varieert van diep oranje tot helder, transparant geeloranje. Hoewel Francesco over het algemeen esdoornhout gebruikte voor het achterblad en de zijkanten, paste hij soms ook populierenhout toe.
Hij gebruikte verschillende etiketten
- Francesco Rugier (en soms Ruger of Rugeri) detto il Per in Cremona 1659
- Francesco Ruggeri detto il Per, Cremona 1671
Rond 1660 voegde hij aan een etiket soms de tekst toe:
- Alumnus Nicolai Amati
- Francescus Rugerius Alumnus Nicolai Amati fecit Cremonæ
De overeenkomst tussen de instrumenten van Amati en Ruggeri leidde ertoe dat er in de loop van de tijd meerdere instrumenten van Ruggeri’s hand verkocht zijn als een Nicolò Amati. De kenner en verzamelaar graaf Cozio di Salabue, die een deel van Stradivari’s inventaris had opgekocht, bezat ook een cello van Francesco Ruggeri, evenals een andere verzamelaar, de markies Castiglioni. Beiden verzamelden uitsluitend de beste instrumenten van hun tijd.
Powers, W., 2000, Violin Makers: Nicolò Amati (1596–1684) and Antonio Stradivari (1644–1737). In Heilbrunn Timeline of Art History. New York
Hargrave, R., 2009, The Amati Method, Three articles about the Amati family
From the Archive: a violin by Nicolò Amati, Cremona, 1660-70”, The Strad, 2018
Kass, P. J., The Stati D'Anime of S. Faustino in Cremona: Tracing the Amati Family 1641-1686
Tarisio archive: Chiesa, C.,The Ruggeri family of violinmakers
Thöne, J., 2020, Italian & French Violin Makers, Köln
Hamma, W., 1969, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Stuttgard
Smithsonian Institution. 2016, "Violin Makers of the Ruggeri Family".