Doorgaan naar content
bouwer

Francesco Goffriller

*1691 , Venetië      †1742 , Udine

Voor Francesco Goffriller was Venetië een nauwelijks te evenaren plaats om het vak te leren. Zijn vader Matteo was een gerespecteerde vioolbouwer, scherpzinnig en met een goed inzicht in de Venetiaanse vioolbouw en de manier waarop connecties in de muziekwereld tot stand kwamen. Het had hem tot een van de meest prominente bouwers van de stad gemaakt. Vanuit heel Europa waren er vakgenoten naar Venetië gekomen die met hun verschillende bouwstijlen elkaar hadden beïnvloed. Een echte Venetiaanse school was er nog niet; bij de totstandkoming daarvan zou zijn vader in de loop van de jaren een belangrijke rol gaan spelen.

Van rond zijn 10e tot zijn 23e jaar was Francesco Goffriller dagelijks te vinden in de werkplaats van zijn vader. Daar kreeg hij van hem zijn opleiding. Francesco was een van de 12 kinderen van Matteo en Maria Kaiser, de dochter van een bekende luitenmaker in Venetië, bij wie zijn vader was begonnen toen hij in 1686 uit Brixen in Zuid-Tirol naar Venetië kwam.
Werkplaats(en)
Venetië, 1709-1714
Udine, 1714-1740

Voor Francesco was de werkplaats van zijn vader een rijke bron van kennis. Naast Matteo werkten er enkele goede vioolbouwers, sommigen als leerling, anderen als medewerkers. In de loop van de jaren had Matteo Goffriller invloeden ondergaan van verschillende bouwers in Venetië, maar hij had vooral een eigen stijl ontwikkeld en was daardoor een veel gevraagde vioolbouwer in de stad geworden. Hij had nieuwe instrumenten mogen bouwen voor de San Marco basiliek en voor veel belangrijke musici in Venetië.

Al was Venetië dan een boeiende stad, Francesco bleef er niet. Rond 1714 ging hij naar Udine. Dat lag 100 km naar het noorden, tegen de Oostenrijkse grens aan. Het vermoeden bestaat dat de familie Savorgnan hem daartoe uitnodigde. Veel rijken van Venetië had paleizen in Udine laten bouwen en wilden er graag hun muzikale bestaan voortzetten. Musici waren er wel, maar het ontbrak er aan een goede vioolbouwer. Daar werd zijn werkplaats een ontmoetingspunt voor bouwers en musici uit de streek.

Zijn instrumenten leken veel op die van Matteo, maar met meer vrijheid ontworpen en net iets minder nauwkeurig afgewerkt.

Leven en loopbaan

Francesco Goffriller moet al jong door hebben gehad dat zijn vader een vioolbouwer van aanzien was in Venetië. Zijn vader had veel werk gehad om nieuwe instrumenten voor de ‘ospedales’ en de rijke Venetianen te bouwen. Nieuwe stromingen in de muziek vereisten dat. In opdracht van Giovanni Legrenzi, de Maestro di Capella van de San Marco basiliek, had hij de verschillende maten oude zessnarige vedels, die nog uit de barokperiode dateerden, mogen vervangen door ‘moderne’ instrumenten. Met name aan cello’s die de nieuwe muziek beter konden ondersteunen was behoefte geweest. Matteo Goffriller had voor jaren werk gehad en de opdracht had hem een grote naam bezorgd.

Francesco’s moeder Maria was de dochter van Mathias Kaiser die een belangrijke bouwer van vedels en luiten was geweest zoals die vóór Vivaldi in Venetië in trek waren. Hij was net als Matteo Goffriller uit Brixen afkomstig. Het huwelijk tussen Matteo en Maria werd in 1686 gesloten in de Chiesa di San Giovanni Grisostomo en bijgewoond door veel van hun landgenoten en andere Venetiaanse musici. Zij kregen 12 kinderen, waarvan Francesco de derde was.

Venetië was dan wel een wereldstad op het gebied van nieuwe muziek, wat de instrumentatie betreft liep het echter ver achter bij de rest van Italië. Francesco’s vader had als een van de eersten in Venetië gezien dat de omslag naar nieuwe muziek ook in Venetië nieuwe instrumenten vereiste en hem werk zou opleveren. Goede contacten met de aristocratie waren noodzakelijk om aan opdrachten te komen. Zijn schoonvader, Mathias Kaiser, had die contacten. Toen Francesco vier was, stierf zijn grootvader. Matteo erfde zijn zaak en voegde de beide ateliers samen tot een nieuw bedrijf.

Ondanks het feit dat er in Venetië veel ander bouwers werkten, had Francesco’s vader twintig jaar lang nauwelijks serieuze concurrenten gehad. Pas met de komst van een nieuwe generatie vioolbouwers veranderde dat.

Op de de bouwers die zich in de loop van de jaren in de stad vestigden, had Matteo Goffriller een grote invloed. Ook op zijn zoon. Al in 1709 had Francesco violen onder zijn eigen naam mogen maken en contacten gelegd met belangrijke opdrachtgevers van de stad. Rond 1714 was Francesco klaar met zijn opleiding. In Venetië kon hij echter niet blijven. De regels van de Ordine dei Marzeri, het Venetiaanse gilde waar iedere vioolbouwer bij aangesloten moest zijn, stonden dat niet toe. In Venetië mocht er maar één lid van iedere familie het vak als zelfstandige uitvoeren.

Veel invloedrijke adellijke families uit Venetië, de Patrizi Veneziani, hadden in Udine een tweede villa of een zomerpaleis laten bouwen. Het was tevens de zetel van de patriciërs die in het kasteel op de heuvel hun residentie hadden. Gewend aan de rijke Venetiaanse muziekcultuur haalden zij ook musici naar Udine. De familie Savorgnan die het gezag over de streek had, speelde daar een belangrijke rol in.

Onder invloed van de Savorgnans kwam het muziekleven in Udine op gang. Vermoedelijk door één van hen uitgenodigd om in Udine vioolbouwer te worden, verhuisde Francesco Goffriller in mei 1714. Daarmee werd hij de eerste vioolbouwer in de stad.

Udine was dan wel al sinds de middeleeuwen ’s zomers een geliefd toevluchtsoord voor rijke Venetianen, het had ook een ernstige tekortkoming: er was groot gebrek aan water. Het was de inwoners van de stad verboden om binnen de muren van de stad kleding en huiden te wassen of afval in het water te gooien. Op verspilling van water stonden strenge straffen. Alleen de patriciërs waren daarvan uitgezonderd. Francesco’s werkplaats lag dan ook niet in het centrum, maar in Borgo Grazzano, net buiten de stadsmuur.

De werkplaats van Francesco Goffriller werd al snel een trefpunt voor spelers van strijkinstrumenten uit de streek. Twee jaar na zijn komst, in 1716, trouwde hij met Donna Valentina, weduwe van Francesco Cicuttini, een bekende musicus en vioolleraar in Udine. Francesco’s werkplaats trok niet alleen musici aan, maar ook de in Udine geboren jonge Santo Serafin. Ook die werd vioolbouwer en aangenomen wordt dat hij het vak van Francesco Goffriller leerde. Santo bleef vier jaar in Udine werken tot hij in 1721 naar Venetië verhuisde en daar een van de betere vioolbouwers werd. Francesco Goffriller bleef de enige vioolbouwer in de stad. Met zijn violen en cello's bereikte hij niet de perfectie van die van zijn vader, maar ze zijn wel erg karakteristiek. Hij gebruikte materialen die soms van nét iets mindere kwaliteit waren, waarschijnlijk vanwege de moeilijkheid om in die uithoek van het land aan de betere houtsoorten te komen.

In 1732 stierf Valentina kinderloos. Een jaar later hertrouwde Francesco met Elisabetta Francescone, met wie hij drie kinderen kreeg. Het huwelijk duurde tien jaar. In november 1741 werd Francesco ernstig ziek en opgenomen in het hospitaal van Udine, waar hij op 2 oktober 1742 overleed. Geen van zijn kinderen had belangstelling voor het vak; zijn atelier werd na zijn dood overgenomen door een onbekende vioolbouwer.

Werk en invloed van Francesco Goffriller

Toen Francesco aan zijn loopbaan begon, bestond er in Venetië nog geen echte vioolbouwtraditie zoals in Cremona of Brescia. Die Venetiaanse school ontstond pas enkele jaren later dankzij Matteo Goffriller’s invloed. Maar ook toen hij al ‘moderne’ instrumenten bouwde, varieerden de instrumenten uit het atelier van Francesco’s vader nogal naar gelang de individuele wensen van zijn opdrachtgevers.

Als kind moet Francesco in de werkplaats van zijn vader al instrumenten gezien hebben van Antonio Stradivari. De viool die Matteo in 1709 bouwde, vertoonde grote overeenkomsten met de ‘Lady Tennant’ van Stradivari uit 1699 en met de ‘Dancla’ uit 1703. Ook Francesco liet zich door Stradivari beïnvloeden.

Het lijkt erop dat Francesco van zijn vader al vroeg de ruimte kreeg om zelf te bouwen. Zijn altviool uit 1706 is daar een voorbeeld van. Hij was toen nog maar 15 jaar oud. De ‘Casals’ cello uit 1700 wordt aan hem toegeschreven, maar het jaartal lijkt er later in geschreven te zijn. Zelf mocht hij de instrumenten niet in Venetië verkopen, daar was het lidmaatschap van het Venetiaanse gilde voor nodig. En tot het gilde werd maar één lid per familie toegelaten. Daarom was Francesco genoodzaakt om soms een instrument te laten verkopen door een bouwer die wél lid van het gilde was. Er zijn instrumenten van hem bekend die door Domenico Montagnana waren verkocht, niet onder Francesco’s naam maar met het etiket van Domenico erin.

Wat in de uitvoeringspraktijk voor Venetië gold, was in Udine niet anders. In Venetië lag de stemming van de muziek hoger dan in andere delen van Europa. In de loop van de eerste helft van de achttiende eeuw werd die verlaagd van de voor Venetië gebruikelijke a’=465 naar 440, een verschil van een halve toon. Daarom moesten vioolbouwers bestaande instrumenten aanpassen of er nieuwe voor in de plaats bouwen. En omdat de uitvoeringspraktijk in beide steden gelijk moest zijn, bood dat Francesco Goffriller in Udine genoeg werk.

Voor de eerste violen die hij in Udine bouwde had Francesco vermoedelijk nog een voorraad hout uit Venetië tot zijn beschikking. Dat was prachtig gevlamd esdoornhout, waarmee hij tot ca. 1730 vooruit kon. Hij gebruikte het met name voor zijn violen; voor zijn cello’s gebruikte hij minder gevlamd hout. Daarna leek hij moeilijker aan hout met een levendige tekening te kunnen komen. Dat deed aan de klank niets af, maar wel aan het uiterlijk.

Soms gebruikte Francesco een uitbundig rood-bruine lak zoals die van zijn vader, maar meestal een heldere bruin-gele lak die hij zelf maakte. Anders dan bij Matteo was die wat harder, waardoor craquelures op zijn instrumenten nauwelijks voorkomen.

Bekend zijn Francesco’s cello’s van relatief klein formaat. Musici gebruiken voor de intense klank van de cello’s die zijn vader bouwde soms de metafoor ‘kokende olie’, Francesco’s beste cello’s doen daar niet veel voor onder.

Zowel het werk van Matteo als dat van Francesco Goffriller was tot de twintiger jaren van de vorige eeuw praktisch onbekend. Hun instrumenten waren vaak voorzien van andere etiketten en gingen door voor een Carlo Bergonzi, Domenico Montagnana, of zelfs voor een Joseph Guarnerius filius Andreae. Zo waren zij meer waard dan met het etiket van Francesco.

Zijn etiket luidt: Francesco Goffriller / In Udine 1726

Het instrument dat het NMF van hem in de collectie heeft is een voorbeeld van het beste dat hij in Udine gebouwd heeft. Het is voorzien van het etiket van Domenico Montagnana. Francesco Goffriller verkocht soms instrumenten in Venetië. Niet onder zijn eigen naam, maar onder die van Montagnana, met wie hij een goede relatie had. Niet uitgesloten kan worden dat Montagnana’s etiket er later in is gezet.

Bronnen

  • Pio S., 2020, Violin and lute makers of Venice 1640-1760, Venetie.

  • Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, Londen

  • Landon Ch., 2007, The Strad Magazine

  • Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.

  • The Strad; In Focus 2013; John Dilworth

  • Tarisio; the Cozio archive, bezocht in 2021

Auteur
Jan Boekhout
Datum
15 oktober 2021