Doorgaan naar content
bouwer

Flentrop Orgelbouw

Over het maken van de baanbrekende metalen panfluit voor het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds deed Flentrop al met al bijna twee jaar, even lang als het nodig had om het grote orgel voor de Harvard University te bouwen.
Flentrop orgelbouw begon in de werkplaats van Hendrik Wicher Flentrop in Koog aan de Zaan. Zijn vader had een schildersbedrijf waar Hendrik als leerling in meewerkte. Flentrop kreeg de opdracht om de orgelombouw van de kerk in Koog aan de Zaan te schilderen en vier jaar nadat Hendrik als 16-jarige orgellessen had genomen, werd hij organist van de Westzijderkerk in Zaandam. Toen zijn vader in 1887 overleed zag Hendrik zich genoodzaakt het schildersbedrijf over te nemen. Naast organist werd Hendrik Wicher actief als muziekleraar en dirigent.
Werkplaats(en)
Zaandam, 1903-heden
Hendrik Wicher Flentrop 1927 © C.J. Turner

Hendrik Wicher Flentrop 1927 © C.J. Turner

Hendrik Wicher Flentrop, orgelbouwer uit onvrede

In 1898 begon orgelbouwer Daniël Steenkuyl aan de herbouw van het orgel in de Westzijderkerk waar Hendrik organist was. Steenkuyl was gedreven door moderniseringsdrift en transformeerde het orgel tot een instrument dat niets meer van het oude weg had. Technisch was het wel goed vond Flentrop, maar over de klank was hij niet te spreken. Het verschil tussen de klank van het oude en het nieuwe orgel was voor hem mede de aanleiding om in de orgelbouw te gaan.

Hendrik Wicher Flentrop verkocht zijn schildersbedrijf en begon een piano-, orgel- en muziekhandel. In 1906 verhuisde hij die naar Zaandam. 

Romantiek in de orgelmuziek; emotie en lyriek

In de 19e eeuw bloeiden er romantische idealen in de muziek. Componisten als Franz Liszt en César Franck brachten emotie en lyriek naar de orgelmuziek. Zij schreven naast kerkmuziek ook niet-religieuze, vaak symfonische orgelcomposities. Deze romantische orgelstukken kenmerken zich door uitgebreide harmonieën en het gebruik van het volledige kleurenpalet van het orgel. Die stijl stelde andere eisen aan het orgel dan daarvoor.

Eeuwenlang had een stelsel van draden en latjes de verbinding gevormd tussen het klavier en de ventielen die de orgelpijpen lucht inbliezen. In de negentiende eeuw leidden nieuwe vindingen op zo ongeveer ieder terrein tot de overtuiging dat met het modernisme alles beter zou worden dan het was. Dat drong ook in de orgelbouw door.

Omdat de romantische composities een andere klank en andere registers van een orgel vergden, werden mechanische delen die voor de overbrengingen van speeltafel naar de pijpen zorgden, vervangen door pneumatische en elektrische overbrengingen. Het spelen werd er lichter door en de afstand van de speeltafel tot het orgel kende minder beperkingen. Rond 1920 maakte dan ook vrijwel geen enkele orgelbouwer nog mechanische orgels.

De eerste opdrachten

Hendrik Wicher Flentrop hield zich in eerste instantie bij restauraties en nieuwbouw aan deze moderne bouwstijl. In de eerste jaren haalde hij maar enkele kleine opdrachten binnen, al dan niet in samenwerking met andere orgelbouwers. Nederland telde daar zo’n 35 van. Zijn eerste nieuwe orgel bouwde hij in 1915. Het was voor de Doopsgezinde kerk in Hoofddorp en nog helemaal in stijl van die tijd, met pneumatische overbrengingen. Met deze techniek bleef hij tot 1940 doorgaan.

Met een opdracht om het orgel in Koog aan de Zaan te bouwen, kreeg Flentrop de behoefte aan meer ruimte. In 1927 kocht de firma een groot pand met werkplaats in Zaandam.

Dirk A. Flentrop, Evora Cathedral 1967 (c) Flentrop Orgelbouw

De Tweede Generatie: Dirk Andries Flentrop (1910-2003) en de doorbraak

In 1910 werd Hendrik Wichers’ zoon Dirk Andries geboren. Hij groeide op in de werkplaats van zijn vader, werkte vanaf 1926 mee in het bedrijf en volgde een opleiding bij Paul Faust in Duitsland en werd beïnvloed door de inzichten van toonaangevende musicologen en organisten die op zoek waren naar een authentieker orgelgeluid. Die vond hij in het bijzonder in het werk van de theoloog en orgelkenner Christhard Mahrenholz uit Göttingen en in de opvattingen van Albert Schweitzer.

Reform-, Orgel-, Neobarok- en Historische beweging: vier wegen terug.

In de eerste helft van de 20e eeuw werd de romantische klank van orgels steeds meer in twijfel getrokken. Er ontstond een tegenstroming; de Orgelreformbeweging, rond 1925 gevolgd door de Orgelbewegung en na WO2 nog weer twee andere varianten: de Neobarok- en de Historische beweging. Hun gemeenschappelijke doel was zich af te zetten tegen de symfonische orgels met pneumatische tractuur en het gebruik van moderne materialen. Allemaal bepleitten zij een terugkeer naar de principes en de klank van de barokke orgelbouw, maar ze bestreden elkaar soms hevig in de weg daar naar toe. Door Albert Schweitzer kregen zij houvast. Die publiceerde in 1906 het boek ‘Deutsche und Französische Orgelbaukunst und Orgelkunst’, dat het handvest van de Orgelbewegung werd.

Albert Schweitzer en zijn invloed op Dirk Andries Flentrop

In 1928 woonden vader en zoon Flentrop een lezing in Zaandam bij van Dr. Albert Schweitzer. Na afloop ging Schweitzer mee om een door Flentrop herbouwd orgel te bekijken. Een rotorgel vond hij het eigenlijk, maar de ontmoeting werd het begin van een goede relatie tussen Dirk Andries en Albert Schweitzer.

Albert Schweitzer was niet alleen arts, theoloog en Nobelprijswinnaar, maar ook een invloedrijk organist en Bach-kenner. Hij had een bijna wetenschappelijke belangstelling in historische orgels en stond kritisch tegenover de late 19e- en vroege 20e-eeuwse romantische orgelbouw. Hij was een groot voorstander van de klankidealen van Johann Sebastian Bach, waarin transparantie, helderheid en een goed uitgebalanceerde dispositie centraal stonden.

Schweitzer speelt Bach

Voor de diep religieuze Schweitzer was het ‘ware’ orgel een ‘Bach’-orgel. Zo’n orgel kon religie in klank vangen. Voor Schweitzer was Bach poëet en schilder in muziek, maar ook een mysticus. Bach kon iets in muziek uitdrukken dat met woorden niet mogelijk was. Iets wat ook nieuwe orgels zouden moeten kunnen, ook Flentrop’s orgels.

Hoewel Schweitzer zelf geen orgelbouwer was, had hij grote invloed op de ‘Orgelbewegung’. Van vader en zoon Flentrop was vooral Dirk Andries onder de indruk van Schweitzer. Ze wisselden ideeën uit over de bouw van orgels in de stijl van de barok. Schweitzer moedigde Flentrop aan om zich nog sterker te richten op de reconstructie van bouwtechnieken uit de laat zeventiende eeuw zoals die van de orgelbouwers Arp Schnitger en Gottfried Silbermann.

Verschil in opvatting tussen vader en zoon Flentrop

Terwijl Dirk Andries Flentrop steeds meer onder de indruk raakte van Schweitzers ideeën, hield Flentrop sr. een warm pleidooi voor orgels met een elektrische overbrenging en bouwde die ook.

Dirk Andries bestudeerde historisch belangrijke orgels in binnen- en buitenland en deed ervaring op bij verschillende orgelbouwers. Zijn stage bij Frobenius in Denemarken werd doorslaggevend voor zijn latere werk. Frobenius bouwde sinds 1925 alleen nog maar orgels naar opvattingen van de Orgelbewegung. Dit leidde ertoe dat Dirk Andries zich definitief distantieerde van de pneumatische en elektro-pneumatische overbrengingen. In Nederland werd hij een van de pioniers in de historische bouwtechnieken en klankprincipes.

Dirk Flentrop propageerde zijn ideeën over historisch authentieke restauraties en bepleitte de constructie van nieuwe orgels die waren gebaseerd op historische modellen dan wel, maar nog steeds volgde de firma Flentrop Hendrik Wichers oude ‘modernistische’ opvattingen.

Het eerste mechanische Flentrop orgel

In 1933 bouwde Flentrop het eerste mechanische orgel, een salonpijporgel voor een particuliere opdrachtgever in Den Haag. Bij deze keuze speelde Dirk Andries vermoedelijk de doorslaggevende rol. Hij refereerde in een stuk dat hij over dat orgel schreef, aan Schweitzer’s voorkeur voor historische klankvorming en nam daarmee afstand van de ‘tegenwoordig algemeen gebruikte elektrische systemen’, zoals hij zei en daarmee ook van de ideeën van zijn vader. Daar kwam Dirk Andries Flentrop nooit meer op terug. Wel zag hij zich genoodzaakt om nog enkele jaren concessies aan zijn principes te doen.

Even vurig als Hendrik Wicher Flentrop het elektrische orgel had bepleit, hield Dirk Andries in Utrecht een goed doortimmerd pleidooi voor zijn historische opvattingen. In datzelfde referaat bepleitte hij ook samenwerking en het delen van kennis tussen orgelbouwers. Het gevolg van deze en de daaropvolgende vier conferenties droeg er toe bij dat Nederland in de wereld hét land werd op het gebied van orgelbouw.

De Orgelbewegung-orgels versus het Grand Prix orgel in Parijs

Dirk Flentrop werd geleidelijk een van de drijvende krachten achter de historische orgelbeweging in Nederland, die in de 20e eeuw steeds belangrijker werd.

Het Flentrop orgel op de Wereldtentoonstelling in Parijs

Voor de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, de “Exposition Internationale des Arts et Techniques dans la Vie Moderne”, bouwde Flentrop een orgel in het Nederlandse Paviljoen. De Exposition beoogde een toonbeeld te zijn van de moderniteit en vooruitgang. Er kwamen 31 miljoen mensen op af. Cultuurhistorisch gezien was het “de laatste keer voor de Tweede Wereldoorlog dat alles en iedereen samen kwam die nog geloofde in het herstel van de Europese civilisatie’, aldus de historicus Schlögel over deze gebeurtenis.

Het orgel van Flentrop won de Grand Prix in de categorie muziekinstrumenten.

Het orgel paste volledig binnen de Franse opvattingen van moderniteit en vooruitgang, maar stond ver af van de principes van de Orgelbewegung. Na de wereldtentoonstelling werd het orgel door de Nederlandse Bachvereniging gekocht en overgebracht naar de Grote kerk in Naarden.

Een jaar later bouwde Flentrop een orgel voor de wereldtentoonstelling in New York. Een opeenstapeling van tegenslagen waar de firma part noch deel aan had, maakte dat het geen succes werd.

Nieuwe wendingen en de invloed van Dirk Andries

Een maand na de inval van de Duitsers droeg Hendrik Wicher het bedrijf over aan Dirk Andries. Er lagen nog voldoende opdrachten om het zonder inmenging van de bezetter enkele jaren vol te houden. Dirk Andries Flentrop leverde in 1944 een monumentaal, drieklavers orgel voor de Grote Kerk in Wageningen op waarin hij een heel scala aan vindingen verwerkte. Een jaar later, in 1945 bliezen de Duitsers de toren op en werd het orgel grotendeels vernietigd. De restanten gebruikte Flentrop in een orgel dat zij tien jaar later opleverden.

Dirk Flentrop was medeoprichter van de International Society of Organbuilders

Dirk Andries Flentrop werd in 1960 gekozen tot voorzitter van de mede door hem opgerichte International Society of Organbuilders waarmee zijn invloed toenam.

In 1948 bouwde Flentrop hun eerste orgel buiten Europa: op Aruba; vanwege de vochtigheid als laatste instrument nog elektrisch aangedreven. Daarna bouwde en restaureerde Flentrop alleen nog maar mechanische orgels en zette hij een eigen pijpenmakerij op.

De grote doorbraak begon met het verwerven van de opdracht tot restauratie van het orgel in de grote kerk van Zwolle. Het ontmoette alom grote waardering, Flentrop kreeg meer opdrachten en kon uitbreiden.

Flentrop orgel gebouwd voor de demonstratie-lezing tijdens het American Guild of Organists symposium in 1956

Internationale doorbraak

In 1950 ging Dirk Andries Flentrop op uitnodiging naar Zweden en kwam met drie opdrachten terug. Toen in 1952 de Marshallhulp uit Amerika op gang kwam, kwamen honderden Amerikaanse studenten met een beurs naar Nederland. Daaronder waren veel orgelstudenten. Dirk ontving hen met open armen. Het net door Flentrop gerestaureerde orgel in Alkmaar was voor deze studenten een eye-opener. Na hen volgden organisten, docenten en muziekwetenschappers om de ’superioriteit van de Europese orgels, met name de oude’ te bestuderen, zoals zij bij terugkeer zelf schreven.

Dirk Andries Flentrop werd in 1956 door het Amerikaanse Guild of Organists uitgenodigd om in New York een lezing te houden op hun symposium en een Flentrop orgel als voorbeeld mee te nemen. Zowel zijn verhaal, ‘Trends in European Organ Building', als het instrument sloegen aan. Er waren 1500 mensen op af gekomen.

E. Power Biggs, Dirk Flentrop, Charles Kuhn en Margaret ("Peggy") Allen Biggs tijdens de opening van het nieuwe Harvard University Museum orgel

Flentrop in Amerika

E. Power Biggs, organist en voorzitter van de Society was op zoek naar een nieuw orgel voor het Busch-Reisinger Museum van Harvard University. Een jaar na het symposium kwam hij naar Nederland en werd in Zaandam ontvangen. Twee jaar later kon het speciaal voor Harvard gebouwde Flentrop orgel worden ingewijd. Het was een groots evenement waar honderden prominente Amerikanen bij aanwezig waren. Dirk Andries was hoofdgast.

Biggs verzorgde drie jaar lang bij het radiostation van CBS uitzendingen op het orgel en werd een van de belangrijkste pleitbezorgers van Flentrop in Amerika. In 1960 werd er een documentaire over het orgel gemaakt en uitgezonden. In ‘Flentrop in America’ schreef een recensent; “Biggs op het Flentrop orgel voedde het Amerikaanse publiek op in klassiek muziek en maakte Flentrop tot de meest bekende orgelbouwer van de Oude Wereld”. Flentrop had vaste voet gekregen in Amerika.

Vanuit de ‘Historically Informed Performance’ beweging werd in de jaren zestig onderzoek gedaan naar uitvoeringspraktijken die in de baroktijd gebruikelijk waren; strijkinstrumenten kregen darmsnaren en replica’s van klavecimbels werden bij concerten gebruikt. De ‘Orgelbewegung’ had daarin voorop gelopen en werd nu breed gedragen. 

Lambert Erné

Ondanks de algemene opvattingen van de orgelbeweging in Europa, domineerde na de Tweede Wereldoorlog in Nederland de invloedrijke deskundige en voorzitter van de Nederlandse Organisten Vereniging, Lambert Erné (1915-1971), de orgelbouw en -restauratie. Hij deed dat onorthodox en weinig diplomatiek. Lambert Erné bleef hardnekkig bij de opvatting dat moderne orgelmakers uit het niets iets tot stand moesten kunnen brengen; terwijl zijn opponenten, waaronder Dirk Andries, steeds meer de opvatting aanhingen dat orgelmakers op historie moesten steunen.

Bij de opdracht om het Morlet orgel in Doetinchem te herbouwen, kreeg Dirk Andries Flentrop Lambert Erné van de opdrachtgever mee als adviseur! De relatie tussen Dirk Andries en Lambert was ronduit vijandig. Het werd een mijlpaal; Dirk Andries herbouwde het orgel dat oorspronkelijk uit 1610 stamde, met zijn eigen kijk op klank. Gustav Leonhardt was er jubelend over en niet alleen hij.

Lambert Erné bleef hardnekkig bij de opvatting dat moderne orgelmakers uit het niets iets tot stand moesten kunnen brengen; terwijl zijn opponenten, waaronder Dirk Andries, steeds meer de opvatting aanhingen dat orgelmakers op historie moesten steunen

Voor problemen die het gebruik van de oude materialen met zich mee hadden gebracht vond Flentrop veel oplossingen. Dat deden buiten Nederland ook andere orgelbouwers. De groep orgelbouwers die zich verenigd had rondom de restauratie van het orgel van Arp Schnitger uit 1710 in de stad Weener, wisselde onderling kennis uit over hun opvattingen bij de herbouw en discussieerde erover. Daar sloot Flentrop zich bij aan.

Het breder delen van kennis leidde ertoe dat Flentrop met legering voor de pijpen ging experimenteren en het materiaal op zand kon gaan gieten zoals in de late baroktijd werd gedaan. Ze waren sterker en kenden rijkere klanknuanceringen.

Dagblad Trouw, 11-04-1968. Bron: Delpher.nl

Verdere opleving in Amerika

Na Amerika en Zweden volgde de bouw van orgels in Duitsland, Curacao en Portugal. Flentrop breidde uit tot 40 man personeel. Opdrachten uit Amerika namen toe. Flentrop kreeg in 1966 de opdracht om in New York voor de Carnegie Hall een orgel te bouwen. Toen het orgel al bijna klaar was, werd het geannuleerd. Stokovsky, Horowitz, Ormandy en Stern vreesden dat het volumineuze orgel de akoestiek van de Hall negatief zou beïnvloedden. Het orgel werd door Flentrop toch afgebouwd en kwam uiteindelijk in de State University van New York te staan.

In 1968 kreeg Dirk Andries Flentrop een eredoctoraat in de musicologie aan het Amerikaanse Oberlin College, Ohio voor zijn pionierswerk in de klassieke orgelbouw. Later volgde een eredoctoraat van de Duke University in North Carolina.

Nieuwe leiding, nieuwe wegen

In 1958 was Hans Steketee als leerling orgelmaker in dienst gekomen. Al jong speelde hij orgel en was afgestudeerd als werktuigbouwkundige.

Geleidelijk groeide Hans Steketee door tot de assistent van Dirk Andries en werd in 1969 adjunct directeur. Dirk Andries en Hans gaven leiding aan 55 mensen.

Het eerste grote werk van Hans Steketee was het bouwen van een orgel in Ohio en later een in Seattle. Hij ontwikkelde al doende een visie op het begrip restaureren die niet altijd overeen kwam met die van Flentrop. Dirk Andries had een focus op het orgel als zelfstandig instrument, met Hans Steketee kwam een visie het bedrijf binnen die veel meer de omgeving er bij betrok. “De hoogste eis is .. om alle gegevens te verzamelen .. en daarmee een organisch geheel te bouwen. Dit leidde tot een grote diversiteit aan orgels. Hans Steketee maakte de pijpenmakerij tot een volwaardig onderdeel van Flentrop.

Er kwamen Flentrop orgels in meer dan 100 Amerikaanse kerken en concertzalen

Het bedrijf liep goed en nam nieuwe mensen aan. Flentrop nam in 1971 het Utrechtse orgelbouwbedrijf De Koff over. Die firma had zo’n honderd orgels gebouwd en ruim vijfhonderd gerepareerd of gerestaureerd. De werkplaats in Odijk nam Flentrop erbij.

De goede relatie tussen Flentrop en E. Power Biggs bleef ook onder Hans Steketee bestaan. Mede door diens invloed kon Flentrop in 1974 een groot orgel in Oberlin College Warner Hall leveren. Hans Steketee was zelf aanwezig bij in inhuldiging ervan en bij het symposium. Al deze successen zorgden ervoor dat veel Amerikaanse kerken en concertzalen in de jaren ’60 en ’70 Flentrop benaderden voor nieuwe instrumenten. Er kwamen Flentrop orgels in meer dan 100 Amerikaanse kerken en concertzalen.

Het economisch tij keerde begin tachtiger jaren en had zijn weerslag op de orgelbouw. Desondanks kon Flentrop belangrijke projecten uitvoeren. Naast veel restauraties, waaronder die van het extreem grote mechanische orgel in de Dom van Riga, kwamen er ook opdrachten voor nieuwe orgels in Tokyo, in Huizen en in Columbia (VS).

Een nieuwe directeur en een ander personeelsbeleid

Flentrop ging in 1986 samen met Vermeulen orgelbouw, nam opdrachten over en bouwde nieuwe orgels in Taipeh en Chicago. Er werkten nog maar 33 mensen. Het aantal nieuwbouw orgels was in die jaren bescheiden, het aantal restauraties daarentegen was het veelvoud daarvan.

Cees van Oostenbrugge trad in 1969 in dienst bij Flentrop en nam in 1998 de leiding van Hans Steketee over. Cees muntte de term ‘orgel-archeologie’, het herleiden van de gedachtegang van de maker uit de soms onherstelbaar lijkende oude instrumenten. Later legde hij sterke de nadruk op creativiteit en het geven van een unieke persoonlijkheid aan elk orgel. Met het volgen van vaste regels kon je geen kunstwerk tot stand brengen vond hij; creativiteit is essentieel in het bouwproces.

Cees [van Oostenbrugge] muntte de term ‘orgel-archeologie’, het herleiden van de gedachtegang van de maker uit de soms onherstelbaar lijkende oude instrumenten

Daarnaast hechtte Cees van Oostenbrugge veel waarde aan openheid en betrokkenheid binnen het bedrijf. Gespecialiseerde medewerkers werden breed opgeleide medewerkers. Als directeur verplaatste hij zijn bureau zó dat hij collega's kon begroeten en maakte hij dagelijks een ronde door de werkplaats.

Onder zijn leiding kwam de restauratie van het oudst bespeelbare koororgel uit 1511 in de Grote of Sint-Laurenskerk van Alkmaar tot stand. Cees van Oostenbrugge was betrokken bij veel internationale projecten, waaronder de restauratie van orgels in de kathedraal van Mexico-Stad.

Cees van Oostenbrugge nam Frits Elshout in 1971 als leerling orgelmaker aan na diens opleiding in Amerika. Elshout werkte aan veel projecten, waaronder de beide orgels in de Laurenskerk te Alkmaar, de Sint Jan te Den Bosch, Westerkerk Amsterdam, de herintonatie van het Müllerorgel in de Bavo te Haarlem en hij begon aan de reconstructie van het orgel in de Katharinenkirche in Hamburg. Frits was inmiddels adjunct-directeur geworden.

Bach’s lievelingsorgel en een nieuwe directeur

Toen Cees van Oostenbrugge in 2008 overleed werd Frits Elshout directeur. Onder zijn leiding werd, zeven jaar na het begin, het orgel in Hamburg opgeleverd. Het was in ieder opzicht een spectaculair project.

Het orgelmetaal van het 'Bach orgel' in de Katharinenkerk in Hamburg is op zand gegoten.

Bach had dit orgel ooit zijn lievelingsorgel genoemd. Hij had er in 1720 op gespeeld en de klank uitvoerig geroemd. Het orgel was in 1943 vrijwel helemaal door een bombardement verloren gegaan. Op basis van overgebleven, verminkt pijpwerk en een orgel‐archeologisch onderzoek slaagden Frits Elshout en Erik Winkel, die adjunct-directeur van Flentrop was geworden, erin een orgel te bouwen dat zo uit Bach’s tijd lijkt te zijn weg gestapt. In 2013 werd Bachs lievelingsorgel in gebruik genomen. Het wordt in orgelkringen algemeen als een verbluffend staaltje van vakmanschap en artisticiteit beschouwd. Het geldt als het voorlopige hoogtepunt van Flentrops historisch-technische kennis en muzikaal inzicht.

In 2016 droeg Frits Elshout de leiding van het bedrijf over aan Erik Winkel. Wel bleef hij artistiek-directeur en adviseur.

Erik Winkel was al in 1998 bij Flentrop gekomen. Hij was afgestudeerd in civiele techniek aan de TU Delft. Eenmaal in het bedrijf kwam hij diep onder de indruk van Oostenbrugge’s visie en diens ‘orgel-archeologie’. Hij bleef die ook volgen toen hij adjunct-directeur en later directeur werd. Onder zijn leiding realiseerde Flentrop diverse prestigieuze projecten. Erik Winkel was al vanaf het begin technisch verantwoordelijke geweest bij de reconstructie van het orgel in Hamburg. Hij leidt het bedrijf met een passie voor historisch orgelonderzoek en beschouwt Cees van Oostenbrugge en Jan Jongepier als zijn belangrijkste leermeesters.

In 2022 volgde de overname van een tweetal personeelsleden van Slooff Orgelbouw, dat de eigen activiteiten had gestaakt.

Ontkerkelijking, een afnemende belangstelling voor orgelmuziek en een heroriëntatie op cultuurbeleid leidde tot afnemende subsidies en een weinig orgel-vriendelijke opstelling van de verschillende overheden. Het maakte dat Flentrop het meer dan ooit buiten de Nederlandse grenzen ging zoeken.

Pleitbezorgers.....

Was E. Power Biggs belangrijk geweest voor Flentrop’s succes in Amerika, voor Europa was dat Gustav Leonhardt. Hij speelde een belangrijke rol in de authenticiteitsbeweging binnen de oude muziek en was een bewonderaar van de Flentrop orgels. Zijn interpretaties van barokmuziek vroegen om instrumenten met historische klankkleuren. Gustav Leonhardt was aanwezig geweest bij de inhuldiging van het Flentrop orgel in Harvard en gebruikte sindsdien vaak Flentrop orgels voor concerten en opnames.

Gereconstrueerd orgel Grote Kerk Doetinchem © Flentrop Orgelbouw B.V.

Gustav Leonhardt en Anton Heiller, die eveneens bij de inhuldiging in Harvard was geweest, prezen Flentrop de hemel in na het horen van het Morlet orgel in Doetinchem uit 1610 dat Frentrop had gereconstrueerd. Door Leonhardt’s invloed op jonge generaties musici die de historische uitvoeringspraktijk omarmden, groeide hun appreciatie voor Flentrop.

Na Power Biggs nam de Amerikaanse natuurkundige en orgelbouwer Charles Fisk in de jaren ’60 de missie over om de historische orgelbouw in de VS verder op de kaart te zetten. Charles Fisk werkte met verschillende grote orgelbouwers in Amerika en bezocht Flentrop in Zaandam door wie hij erg werd beïnvloed. Zijn eigen orgelontwerpen baseerde hij later mede op de principes die hij hier had geleerd.

De Oostenrijkse organist en componist Anton Heiller was een andere belangrijke figuur in de internationale orgelbeweging. Ook hij prees Flentrop-orgels en gebruikte ze in concerten en masterclasses. Heiller gaf les aan het Conservatorium van Wenen, waar hij generaties organisten opleidde die later de voorkeur gaven aan Flentrop-orgels.

Tenslotte was de Italiaanse organist en musicoloog Luigi Ferdinando Tagliavini een groot voorstander van de historische orgelbeweging. Hij gebruikte Flentrop-orgels in masterclasses en hielp de reputatie van het bedrijf in Zuid-Europa te versterken.

.....en opponenten

Waar Flentrop voor stond, kende niet alleen maar voorstanders. In Nederland was Lambert Erné woordvoerder van de felle, maar kleine tegenbeweging die zocht naar een moderne, 20e eeuwse orgelklank.

In Frankrijk bleef men de romantische en symfonische traditie lang trouw en werden neobarok orgels soms zelfs als een verarming van het orgelpalet gezien. Dat gold ook voor Duitse voorstanders van voor de pré-Orgelbewegung. Zij zagen de neobarok als een te grote klankversobering en vonden het een stap terug. Componisten en orgelkenners als Max Reger, Marcel Dupré en Helmut Walcha uitten kritiek op de naar hun mening te rigide restauraties die voorbijgingen aan de nieuwe ontwikkelingen in de moderne muziek en die daarmee zelfs tegenhielden.

Tenslotte waren er avantgardistische componisten zoals György Ligeti en tijdgenoten die experimenteerden met nieuwe klanken. Zij zagen de neobarok als te conservatief en zochten een ander geluid.

De metalen panfluit die Flentrop voor het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds bouwde

Flentrop heeft ruim 635 kerk-, concert- en huisorgels gebouwd, herbouwd of gerestaureerd.

In 2020 begonnen Flentrop en het NMF met de eerste gesprekken over het maken van een panfluit. De expertise van Flentrop op het gebied van pijpenmakerij bleek van onschatbare waarde te zijn. Wilde Albert Schweitzer de stem van God in een orgel kunnen horen, Matthijs Koene had eveneens hoge muzikale verwachtingen van zijn nieuwe instrument. Het vakmanschap en de kennis van Flentrop maakten beide mogelijk.

Bronnen

  • 100 jaar Flentrop orgelbouw, onder redactie van R van Dijk en H. Fidom, 2004.

  • Brouwer J.K.G. 2016, Johan van Meurs: een studie over een pionierend orgeladviseur; Leiden.

  • Rijksdienst voor de Monumentenzorg; 2004, Historische orgels in Nederland, Zeist.

  • Diepenhorst W. 2022, in Religieuze interieurs in Nederland-waardevol erfgoed, Museum Catharijneconvent | Rijksdienstvoor het Cultureel Erfgoed, Utrecht.

  • In memoriam Dirk Andries Flentrop door Jan Jongepier, Het ORGEL, Jaargang 100, (2004) Nummer 2

  • Het Flentrop-orgel in de Grote Kerk te Doetinchem door Jan Pieter Karman, Het ORGEL, Jaargang 95, (1999) | Nummer 4

  • Owen. B, 2022, E Power Biggs Concert Organist, Indiana University Bloomington, USA.

  • Fesperman J., 1982, Flentrop in America: An account of the work and influence of the Dutch organ builder D.A. Flentrop in the United States, 1939-1977

  • Fidom H, 2001, Nederlandse orgelbouw in de vroege 20ste eeuw: Duitse achtergronden.

  • Fidom H. 2001: Het begin: de orgelbeweging, orgels van de wederopbouw.

  • Ravenzwaay G. Terugslag in de orgelmuziek, in De Schalmij, tijdschrift voor Orgelbeweging, 1950.

  • Schweitzer A., 1906, The art of German and French organs and organbuilding, Leipzig.

  • Schweitzer A., 1906, The Art of organ Building and organ playing in Germany and France.

  • Wiersma O, 2002 Ontwikkelingen in de orgelbouw, in Jaarboek monumentenzorg. 

  • Website Bureau International des Expositions Paris, bezocht in 2025

  • Website Het orgel, bezocht in 2025

Auteur
Jan Boekhout
Datum
22 april 2025