Doorgaan naar content
bouwer

Ferdinando Gagliano

*1724 , Napels      †± 1804 , Napels

Rond de tijd dat Ferdinando Gagliano werd geboren, was Napels een verleidelijke stad vol kleurrijk plezier en overdaad. Er was schepijs in allerlei smaken en er klonk muziek op alle straathoeken. Ondanks de zakkenrollers en kleine criminaliteit was de sfeer gemoedelijk. Over zo ongeveer alles kon vrijuit worden gesproken. Napels had al een lange theatertraditie, maar met de opkomst van opera en ballet groeide Napels uit tot een muzikaal paradijs.

Ferdinando’s vader Nicolò was een van de vioolbouwers die instrumenten voor drie van de vier Napolitaanse conservatoria bouwden. Die waren nodig om aan de vraag naar goed opgeleide zangers en instrumentalisten in de stad te voldoen. Echter, toen Ferdinando aan zijn loopbaan als vioolbouwer begon, was van die welvaart weinig meer over.
Werkplaats(en)
Napels, ±1750 - ±1795

Nicolò Gagliano en zijn vier zonen

Ferdinando groeide op in de werkplaats van zijn vader Nicolò. Nicolò was niet alleen een erg productieve, maar ook een zeer vooraanstaande vioolbouwer in Napels. Zelf liet hij weten een leerling van Stradivari te zijn geweest, niet van Antonio maar van diens zoon Omobono die een paar jaar in Napels had doorgebracht. Als een van de weinige vioolbouwers van Napels had Ferdinando’s vader een contract bij drie van de vier conservatoria in de stad. Hij onderhield hun instrumenten en indien nodig bouwde hij er nieuwe voor. Ferdinando bleef niet bij zijn vader, maar op grond van een groot aantal overeenkomsten in stijl en techniek wordt aangenomen dat hij voor zijn opleiding naar zijn oom Gennaro ging. De meeste broers die eveneens vioolbouwers werden, bleven op een of andere manier met elkaar samenwerken, maar Ferdinando bouwde vermoedelijk alleen. Zijn instrumenten worden gezien als de beste van zijn generatie.

Ferdinando was de oudste van Nicolò’s vier zonen. Nicolo was in 1724 getrouwd en na Ferdinando, die in hetzelfde jaar werd geboren, kwamen er nog drie: Giuseppe in 1725, Antonio in 1728 en zestien jaar later volgde Giovanni. Alle vier werden zij vioolbouwer. Ferdinando bleef niet lang in het atelier van zijn vader. Philip J. Kass meent dat hij nog tot in de jaren 50 betrokken was bij de werkplaats van Nicolò, maar daarna vertrok. Gennaro Gagliano was Nicolò’s jongere broer. Nicolò ging de geschiedenis in als prominent bouwer, maar Gennaro wordt nu gezien als een betere vakman. Van hem is niet erg veel méér bekend dan zijn diversiteit, persoonlijke stijl en groot vakmanschap. Die laat zien dat hij een buitengewoon goede bouwer was. En dat werd Ferdinando ook. Zijn modellen van Amati en Stradivari waren veel beter dan de typische, wat nonchalante gebouwde Napolitaanse instrumenten. Met de precisie waarmee hij zijn krullen stak onderscheidde hij zich van de Napolitaanse bouwers, inclusief zijn familieleden.

Carlo van Bourbon

Carlo van Bourbon

Ferdinando en de stad

Met de komst in 1734 van een nieuwe vorst, Carlo van Bourbon, was de voorspoed voor een groot deel van de bevolking toegenomen, ook voor de musici en voor de bouwers van hun instrumenten. Hij nam een groot gevolg mee, variërend van architecten tot goudsmeden. In hun kielzog volgde er nog een hele karavaan. Carlo was megalomaan en had uitgesproken ideeën over hoe de grandeur van een groot Europees hof eruit moest zien. Tot meerdere glorie van zichzelf liet hij het ‘San Carlo’ bouwen, een operagebouw dat het mooiste en grootste van Europa moest worden.

Teatro San Carlo di Napoli

Teatro San Carlo di Napoli

Dat werd in het jaar van Fernando’s geboorte groots ingewijd. Er waren meer musici naar Napels gekomen dan ooit. Volgens de schrijver en lid van de 'Académie des sciences', Charles de Bosses, was Napels in korte tijd de muziekhoofdstad van de wereld geworden. De vioolbouwers van de familie Gagliano waren niet de enige, maar wel de belangrijkste vioolbouwers van Napels.

Rond de periode waarin Ferdinando aan zijn loopbaan kon beginnen, bleken de hervormingen die Carlo van Bourbon had doorgevoerd, rampzalig uit te pakken voor de stad. De armoede nam hand over hand toe en door de trek van het platteland naar de stad, raakte Napels ook nog eens overbevolkt. Een brede laag van de bevolking leed honger en tien jaar later waren er negenduizend daklozen. Toen Ferdinando 26 was, bereikte de ellende een dieptepunt. Alleen al in 1764 stierven duizenden Napolitanen door ondervoeding en ziekte. Uit de jaren 60 bestaan er dan ook maar weinig instrumenten van Ferdinando. Zijn vader Nicolò kon leven van zijn werk voor de conservatoria en van de instrumenten die hij bouwde. Ferdinando moest het hebben van het geringe aantal musici die zich nog een instrument konden veroorloven. Veel andere goede vioolbouwers dan de familie Gagliano waren er niet.

Rond 1770 werkte Ferdinando als zelfstandig vioolbouwer. Zijn broer Giuseppe was eveneens bij hun vader begonnen, maar ook hij vervolgde zijn opleiding bij Gennaro. Later werkte hij samen met Antonio, zijn jongste broer, in een eigen werkplaats. Voor alle Gagliano’s was er werk in overvloed.

Ex-Barbirolli cello, Gennaro Gagliano ± 1760. Foto met dank aan C. Darbelet / Vichy Enchères

Stijl en invloed

Van de derde generatie Gagliano’s is Ferdinando vermoedelijk de meest productieve geweest; bovendien was zijn werk van uitzonderlijk goede kwaliteit. De invloed van Gennaro zien kenners onmiskenbaar terug in de details, de modellen en de manier van Ferdinando’s werk. Ferdinando en Gennaro werden sterk beïnvloed door Stradivari en in mindere mate door Amati. Stradivari’s invloed blijkt uit Gennaro’s ex-Barbirolli-cello die tot in detail leek op een Stradivari-cello uit 1760.

Tussen de Gagliano familieleden was er vaak een vorm van samenwerking, maar Ferdinando werkte vermoedelijk toch meestal alleen.

Ferdinando’s grootvader Alessandro (ca. 1665-ca. 1732) was met zijn reizen langs steden als Cremona de pionier van de familie geweest; Nicolò en Gennaro hadden de familienaam definitief in Napels gevestigd. Als derde generatie Gagliano maakten Ferdinando en zijn broers Napels tot één van de belangrijke centra voor de Italiaanse vioolbouw in de negentiende eeuw.

De techniek en Ferdinando’s oeuvre

Het was gebruikelijk dat de zoons al heel jong de instrumenten van hun vader van een hals en krul voorzagen en dan aflakten. Dat deden Ferdinando en zijn broers ook. Nicolò en Gennaro beschikten nog over een goede kwaliteit esdoornhout uit de Balkan, de andere zonen moesten het van tijd tot tijd stellen met lokaal gevonden hout dat minder mooi van tekening was. Ferdinando gebruikte in zijn vroege instrumenten de oranje-rode kleur lak van zijn vader, later maakte hij die donkerder.

Viool uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds. Goed zichtbaar zijn de ongelijke plaatsing en hoogte van de f-gaten.

Zijn eerst bekende viool dateert van 1750, de laatste is uit 1795. Uit de analyse van een viool uit 1789 blijkt dat Ferdinando het onder- en bovenblad tijdelijk vastzette met houten pinnen. De randinleg was van beukenhout met daarlangs zwart gemaakte kartonnen stroken. De hoogte en de plaats van de f-gaten zijn niet altijd gelijk.

De zangbalk was langer dan in die tijd gebruikelijk was en de beide bladen waren eveneens dikker dan veel andere bouwers ze maakten. Van Gennaro zijn naast violen ook enkele cello’s bekend. Ferdinando bouwde voornamelijk violen, een klein aantal cello’s en een paar altviolen. Daarnaast bestaat er van hem nog een viola d’amore.

Uit het etiket blijkt dat Ferdinando er zich op liet voorstaan een zoon van Nicolò te zijn.

“Ferdinandus Gagliano Filius Nicolai fecit Neap. 1781”

Langs de zangbalk schreef hij in veel gevallen een reeks letters en cijfers die op een religieuze tekst duiden én zijn initialen. In veel instrumenten van de Gagliano’s komen religieuze motto’s voor, overigens net zoals in vele instrumenten van andere Napolitanen.

De etiketten van Ferdinando’s broers Giuseppe en Antonio suggereren dat zij al vroeg instrumenten bouwden. Hun overlijdensdata konden wegens de weinig gedisciplineerde administratie van de kerken niet worden vastgesteld en konden tot zeer recent alleen maar worden geschat. Maar op basis van de in 2023 teruggevonden overlijdensakten is gebleken dat Giuseppe niet in 1793 overleed maar pas in 1820 en Antonio in 1835. De overlijdensakte van Ferdinando ontbreekt nog. Sinds ca. 1650 is van zeker 16 leden van de familie Gagliano bekend dat zij zich met het bouwen van instrumenten hebben beziggehouden.

Bronnen

  • Kass P.J., Strings Magazine, November-December 2023

  • Voorhies J., “Art of the Seventeenth and Eighteenth Centuries in Naple,” Department of European Paintings, The Metropolitan Museum of Art.

  • DelDonna A., 2012, Opera, Theatrical Culture and Society in Late Eighteenth-Century Naples, New York

  • Courtenay J., 1794 The present state of the manners, arts, and politics, of France and Italy; in a series of poetical epistles, From Paris, Rome, And Naples. Dublin

  • Kass P. J., 2009, Guadagnini-re-evaluated, Turijn

  • Landon Ch., 2007, The Strad Magazine

  • Tarisio, Cozio archive, bezocht 2024

Auteur
Jan Boekhout
Datum
24 juli 2024