
viool
Quintijn van Heek

*1855 , Milaan †1930 , Turijn

Enrico Marchetti werd in Milaan geboren als laatste van drie kinderen uit een welgestelde familie. Zijn vader, Angelo Marchetti, was vermogend geweest, maar was vier maanden voor Enrico’s geboorte overleden; ook zijn oudste zus heeft hij nooit gekend, zij was al in 1845 gestorven.
Bij zowel Bajoni als bij de Rossi’s deed Enrico voornamelijk reparatiewerk
Zijn eerste jaren als vioolbouwer leerde en werkte Enrico Marchetti bij Luigi Bajoni in Milaan. Na twee jaar werd hij medewerker van Gaetano Rossi in de Contrada San Mattia alla Moneta. Vader Nicola en zijn zoon Gaetano Rossi werkten samen en stonden bekend om hun uitstekende cello’s en contrabassen, maar zij bouwden ook andere strijkinstrumenten.
Bajoni was een bescheiden bouwer met een kleine werkplaats en alleen Marchetti als leerling, de Rossi’s waren een slag groter. Zij waren daarbij zeer goede leermeesters, onder andere van Giuseppe Tarasconi, Angelo Radrizzani en zijn broer Alessandro. Bij zowel Bajoni als bij de Rossi’s deed Enrico voornamelijk reparatiewerk.
Dat deed hij de eerste jaren ook nog bij Benedetto Gioffredo (Rinaldi) in Turijn. Daar was hij rond 1874 naar toe verhuisd. Het verschil met zijn vorige werkgevers en Gioffredo was, dat de laatste een groot bedrijf aan de Via Roma had dat in toenemende mate bekendheid genoot, niet alleen in Turijn maar ook daarbuiten. Benedetto Gioffredo was een uitstekende bouwer, had een prijs voor zijn werk gewonnen, was kenner van oude instrumenten en had een zeer succesvolle publicatie over de vioolbouwer G.F. Pressenda op zijn naam staan.

1839, Teatro Regio in Turijn in de hoogtijdagen
De stad Turijn bevond zich in de eerste vijftien jaar van Enrico’s leven nog tussen twee zeer verschillende tijdperken in; het was in 1870 nog de hoofdstad van het land en tevens de grootste stad. Maar toen de uiteindelijke eenwording van Italië in dat jaar tot stand kwam, verloor Turijn zijn status en werd het veel kleinere Rome de nieuwe hoofdstad. Het prachtige Operahuis van Turijn was nog in trek bij musici, maar het nieuwe La Scala in Milaan bleek een grote concurrent en veel musici verhuisden naar Milaan. Turijn verloor zijn culturele positie en ontwikkelde zich tot een industriële grootmacht.
Door de gunstige ligging van Turijn ten opzichte van Frankrijk en de contacten met Franse vioolbouwers die tijdens de Franse overheersing in de vorige eeuw de Turijnse vioolbouw hadden gedomineerd, waren de meeste Turijnse vioolbouwers zelf meer handelaars in oude Italiaanse instrumenten dan bouwers. Het maken van nieuwe instrumenten werd veelal overgelaten aan hun medewerkers. Net als Benedetto Gioffredo was Romano Marengo, één van Enrico Marchetti’s leerlingen, ook zo’n handelaar. Toch waren deze vioolbouwers wel degelijk uitstekende vakmensen die niet zelden instrumenten instuurden naar tentoonstellingen en daarmee prijzen wonnen.
Bij Benedetto Gioffredo ontmoette Enrico Marchetti zijn toekomstige echtgenote. Zij was afkomstig uit Alba, de streek die de bron was van de Turijnse vioolbouw en waar Enrico regelmatig naar toe zou gaan om instrumenten te kopen. Zij trouwden in 1878, een jaar nadat hij was weggegaan bij zijn vorige werkgever en bij Antonio Guadagnini was gaan werken.
Antonio Guadagnini was de vierde generatie vioolbouwers van de familie en had tot ver in het buitenland een goede naam. Hij was in Parijs en Mirecourt opgeleid en had na de dood van zijn vader de fameuze zaak overgenomen. Zijn vader had contacten opgebouwd met de Parijse vioolbouwwereld en Antonio onderhield deze. Hij had zich ten doel gesteld om naast de vioolbouw zelf, de commerciële kant van het familiebedrijf uit te breiden en was daarin zeer geslaagd. Er werkten veel Franse vioolbouwers in de werkplaats van Guadagnini. Marchetti leerde er de Franse constructie-technieken die anders waren dan de Italiaanse. Zij bouwden een instrument met een buitenmal zoals in Mirecourt en detailleerden het instrument verfijnd. Ook leerde Marchetti de unieke lak van Guadagnini maken: een op olie gebaseerde zachte, soepele en dieprode afwerking. Al snel gaf Guadagnini de leiding van de werkplaats over aan Enrico Marchetti.
Er werkten veel Franse vioolbouwers in de werkplaats van Guadagnini. Marchetti leerde er de Franse constructie-technieken die anders waren dan de Italiaanse
Guadagnini haalde veel instrumenten uit Mirecourt. Die liet hij in zijn werkplaats afbouwen en lakken. Aan Jean-Baptiste Vuillaume in Parijs en aan diens broer Nicolas in Brussel verkocht Guadagnini veel antieke Italiaanse instrumenten. De restauratie daarvan werd in Guadagnini’s werkplaats door zijn medewerkers gedaan. Ook Enrico deed dat in de eerste jaren. Later bouwde hij ook nieuwe instrumenten voor Guadagnini.
Piazza Vittorio Emanuele I, Turijn, begin 20e eeuw
In 1881 deed Antonio Guadagnini mee aan de grote Milanese expositie waar hij een medaille voor de ingezonden instrumenten won. Marchetti claimde de bouwer daarvan te zijn, maar kreeg daar van zijn werkgever geen openlijke erkenning voor. Met een conflict, maar in de wetenschap dat hij zelf prijswinnende instrumenten kon bouwen, vertrok hij. Vijf jaar had Enrico bij Guadagnini gewerkt. Op het indrukwekkende plein Vittorio Emanuele I, midden in Turijn, begon Enrico Marchetti een eigen zaak.
Wereldtentoonstelling Parijs, 1900
Drie jaar nadat hij zelfstandig was geworden nam Enrico ieder jaar weer deel aan tentoonstellingen. De eerste in 1884 in Turijn en vervolgens in Antwerpen, Toulouse, Londen en Parijs waar hij talloze medailles en eervolle vermeldingen won. Zijn deelname aan tentoonstellingen lag vanaf 1893 een poosje stil. In dat jaar verhuisde hij naar Cuorgnè, een plaatsje 40 km ten noorden van Turijn, maar een jaar later stuurde hij alweer een inzending naar Milaan en in 1898 naar Turijn.
Bijna 14 jaar bleef hij instrumenten bouwen in zijn nieuwe woonplaats, maar reisde met grote regelmaat heen en weer tussen Cuorgnè en Turijn. Daar had hij nog een huis aangehouden waar hij soms maandenlang verbleef. Afgaande op het feit dat zijn echtgenote in 1909 in Turijn overleed, ging zij vermoedelijk mee. Zijn zoon en een van zijn dochters hielpen hem daar tot zijn dochter trouwde en naar Genua vertrok en Vittorio Eduardo, zijn zoon, voor zichzelf begon. Zijn laatste levensjaren waren – naast instrumenten – gevuld met kunst, antiek en literatuur, maar zijn leven was ook onbestendig geworden doordat drank en ouderdom hem het bouwen vrijwel onmogelijk maakten. In 1930 ging hij voor de laatste maal naar Turijn en overleed korte tijd daarop.
Marchetti's oeuvre bestaat uit een combinatie van persoonlijke stijl en deskundige imitatie van modellen van anderen. Zijn Stradivari-model was van een prijswinnend niveau. Door andere etiketten te gebruiken dan zijn eigen, zien deskundigen dat hij daarbij soms de grens van vervalsing heeft overschreden, vooral tijdens de Cuorgnè-periode.
De instrumenten die hij in die periode wel op eigen naam vervaardigde, waren met weinig zorg gebouwd. In zijn gesigneerde werk zitten de meer persoonlijke accenten, zoals onder andere een langwerpige vorm van de krul met zwarte randen en een randinleg die tot diep in de hoeken doorloopt. Meestal gebruikte hij twee vernislagen, een met een hardere gele eerste laag gevolgd door een zachtere rode. Aan het eind van zijn loopbaan is Marchetti's werk weinig stijlzuiver (Eric Blot noemt het zelfs eclectisch). Instrumenten die duidelijk beïnvloed waren door Pressenda of G.B Guadagnini hadden een persoonlijke touch, maar verloren daarbij ook hun consistentie. Dit vormt een duidelijk stijlcontrast met zijn werk uit eerdere perioden.
Enrico Marchetti wordt nu beschouwd als een van de beste vioolbouwers van zijn tijd. Anselmo Curletto was een van zijn leerlingen wiens hand vanaf 1920 te zien is in zijn latere werk. Marchetti leidde ook zijn zoon Eduardo op, evenals Romano Marengo.
De instrumenten die hij voor zijn verhuizing naar Cuorgnè bouwde, voorzag hij van een etiket waarop hij eerst nog vermeldde 8 medailles gewonnen te hebben; vanaf 1893 vermeldde hij dat het er al 12 waren.
Tekst van het label van een in 2024 gestolen cello
Hij gebruikte een groot aantal labels waarop hij zijn verworven medailles vermeldde en zette ‘Mediolanensis’ ('afkomstig uit Milaan') achter zijn naam, ook in zijn instrumenten uit Turijn.
‘Enrico Marchetti di Milano, fece in Turino’,
‘Enrico Marchetti de Cuorgnè’,
een handgeschreven etiket ‘Enrico Marchetti, Liutista’,
Van de etiketten die hij al in Turijn had laten drukken, streepte hij de plaatsnaam door en schreef er met inkt Cuorgnè voor in de plaats.
Blot E., 2001, Liuteria Italiana - Piemonte, Eric Blot Edizioni, Italy.
Rattray D., 2011, Masterpieces of Italian Violin making. Cremona.
Kass, P. J., ‘Modern Historical Research: The Violin as Art’, Journal of the Violin Society of America.
Thöne J., 2003, Italian & French violinmakers, Grottamare.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2001,Italian & French Violin Makers, Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Sacchi, F, 1898, Count Cozio di Salabue: Celebrated Violin Collector, London.
Tarisio; Cozio archive, bezocht in 2024.
Archivio di Stato di Torino, geraadpleegd in 2024.
Miyasaka T., 2017, J. F. Pressenda-Italian passion hidden behind consistency of form.
Kass P., 2009, Guadagnini-re-evaluated, Turijn
Landon Ch., 2007, The Strad Magazine