Doorgaan naar content
bouwer

Edward Popplewell J’Anson

*1830 , Leeds      †1892 , Hulme/Manchester

De contrabas van Edward Popplewell J’Anson in de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds is een bijzonder instrument; afwijkend van wat er toen in Noord-Engeland gebruikelijk was en prachtig uitgevoerd. Hij was een leerling van William Booth in Leeds die lang bassen had gebouwd naar een model dat nog was afgeleid van de viola da gamba. De grote contrabasbouwers in Londen hanteerden echter een geheel andere vorm. Daar had de bassist Dragonetti met zijn prachtig klinkende contrabas van Gasparo da Salò een grote bijdrage aan geleverd. Dragonetti’s samenwerking met de vioolbouwer Vincenzo Panormo leidde uiteindelijk tot een nieuw model Engelse bas.

Hoeveel contrabassen Edward Popplewell J’Anson gebouwd heeft weten we niet. In model, constructie, afwerking en lak lijkt de contrabas van Popplewell J’Anson nog het meest op die van de ‘moderne’ grote Londense contrabasbouwers.
Werkplaats(en)
Leeds en Manchester, 1840-1885

De vroege Engelse contrabassen

Het was de komst van Georg Friedrich Händel naar Londen die een renaissance van de contrabas in Engeland had ingeluid. De eerste Engelse contrabassen dateren zo van rond 1690, maar de musici hadden de voorkeur aan Duitse instrumenten gegeven waarna Britse vioolbouwers nog maar zelden contrabassen bouwden.

Händels opera’s en oratoria bleken in de Engelse hoofdstad al snel populair te worden en daarbij waren deze grote instrumenten onmisbaar. Bij de inzet ervan ontmoette Händel echter een probleem; er waren nauwelijks Engelse bouwers meer die ze konden maken. De meeste contrabassen werden nog steeds geïmporteerd. Een enkele uit Duitsland, maar als het risico van de reis aanvaardbaar werd gevonden, kwamen ze bij voorkeur uit Italië. De eerste Engelse bouwers die deze instrumenten leerden maken waren Daniel Parker en John Barrett. Later namen de bouwers Peter Wamsley en Joseph Hill dit over.

De invloed van Domenico Dragonetti en Panormo

De belangrijkste bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de contrabas in Engeland kwam echter niet van Engelse bouwers maar van de virtuoze Italiaanse contrabassist Domenico Dragonetti. Op het hoogtepunt van zijn roem was hij naar Londen gekomen, bewoog zich al snel in de hoogste kringen en had grote invloed op de uitvoeringspraktijk. Hij was niet alleen een beroemde bespeler van het instrument, maar ook een groot kenner van andere strijkinstrumenten.

Herdenkingsplaat bij de kerk van San Giuseppe in Brescia.

Herdenkingsplaat bij de kerk van San Giuseppe in Brescia.

Tot Dragonetti’s komst waren de schaarse Engelse contrabassen gemodelleerd naar de volle en gewelfde bassen zoals die in Mittenwald (Duitsland) werden gebouwd. Dragonetti bezat een geweldig klinkende Gasparo da Salò-bas uit Brescia met een andere vorm die verandering zou brengen in die voorkeur. Hij ging met de Italiaanse vioolbouwer Vincenzo Panormo, die eveneens naar Londen was gekomen, een samenwerking aan om zijn ensembles van instrumenten te voorzien. Daar hoorden ook contrabassen bij. Als jonge vioolbouwer had Panormo al een contrabas gebouwd in de stijl van de Cremonese bouwers, betrekkelijk klein en met een gewelfde achterkant, maar Dragonetti wilde contrabassen à la zijn Da Salò hebben. Aanvankelijk weigerde Panormo en bleef hij liever bij het oude. Het compromis werd een instrument met een vlakke achterkant met knik, maar met een vorm die een-op-een gekopieerd werd van Dragonetti’s Da Salò-contrabas. Zelf bleef Panormo de gewelfde vormen bouwen.

Toen hij eenmaal de definitieve vorm voor zijn contrabassen gevonden had, liet Dragonetti hout uit Italië komen om daar door de Londense bouwer Thomas Kennedy (ca. 1784-ca. 1870) bassen van te laten bouwen.

De erfenis van Dragonetti bleef niet beperkt tot Kennedy en Panormo, maar werd de definitieve vorm voor de Engelse contrabas; een instrument met een vlakke achterkant waarin een knik, een diepe kast en de op een cello gelijkende omtrek van de Da Salò-bas. Londen werd het centrum van de contrabasbouwers waar de families Fendt, Lott en Simon Foster veel bassen van dat model bouwden die in de loop van de jaren werden verspreid over een groot deel van het land.

First class

Echter niet in de Noord-Engelse steden als Leeds, Birmingham en Manchester. Die hadden allemaal een eigen orkest, waar een volstrekt ander basmodel in gebruik was; een gamba-achtig instrument met een half ronde onderkant zoals ook de vioolbouwers James Cole Double in Manchester en Wiliam Booth (I) uit Leeds ze in 1830 nog bouwden.

William Booth werd de leermeester van Edward Popplewell J’Anson die in dezelfde stad woonde. Edward Popplewell J'Anson was de zoon van Joshua J'Anson en Matilda Ann Popplewell. Hij werd op 24 maart 1830 geboren in Leeds en gedoopt in “Whitehall Independent” dat een onafhankelijke congregatie was zonder verbintenis met een kerkgenootschap. Edward bleek zeker zo getalenteerd te zijn als zijn leermeester. Zijn werk werd ‘first class’. Rond 1881 verhuisde hij met zijn vrouw en moeder naar 52 Walnut Street in Manchester waar hij voornamelijk violen, enkele altviolen, cello’s en een onbekend aantal contrabassen bouwde.

Gebouwd als in het moderne Londen

De contrabassen van Popplewell J’Anson wijken echter in alle opzichten af van wat in Noord-Engeland gebruikelijk was. In model, constructie, afwerking en lak lijkt de contrabas van Popplewell J’Anson nog het meest op die van de grote Londense contrabasbouwers. En zij worden ook nu nog beschouwd als de beste basbouwers van de negentiende eeuw. Het instrument van J’Anson doet niet onder voor de Londense bassen. Tot in ieder detail zorgvuldig afgewerkt en met een bijna ideale klank. Veel bassen met zijn naam zijn er niet meer, veel werden in de loop van de jaren voorzien van een Italiaans label.

Etiket: Edward P. J’Anson, Fecit Manchester. Anno 1872

Bronnen

  • Harry Jansen, contrabasbouwer en expert.

  • W.M. Morris, 1920, British violin and bow makers, London

  • Martin T. en G., 2018, M. Lawrence, The English Double Bass, Barnbury

Auteur
Jan Boekhout
Datum
13 oktober 2023