
vioolstrijkstok
Tijmen Huisingh


Toen Nicolas Lupot in 1806 zijn atelier liet registreren, wist hij niet dat hij daarmee een vioolbouwtraditie in gang zette die pas 175 jaar later zou eindigen toen Emile Français de deur van zijn firma in New York sloot. In de tussenliggende jaren waren het de vioolbouwers uit de familie Gand en Bernardel, aan wie Lupot zijn atelier overgedragen had, die vrijwel onafgebroken het allerhoogste vertegenwoordigden van de Franse vioolbouwkunst. Vanaf 1901 tot 1920 zetten Felix Albert Caressa en Henri Français als opvolgers van de laatste Gand het bedrijf voort dat zij Maison Caressa & Français noemden.
Albert Caressa (1866-1939) kwam uit een oude, welvarende Florentijnse ondernemersfamilie, maar werd geboren in Nice. Hij speelde viool, verzamelde strijkinstrumenten en, vermoedelijk aangetrokken door de elegante, internationale wereld van de grote Parijse vioolbouwers, werd leerling van de vioolbouwer Gustave Bernardel. Hij bleek een uitstekend oog te hebben voor de zakelijke kant van de firma en werd door Gustave Bernardel aangesteld als manager bij het Maison Gand & Bernardel. Samen met het bedrijf van Jean Baptiste Vuillaume groeide het uit tot de grootste vioolbouwateliers in Frankrijk. Caressa werd in 1898 financieel directeur van Gand & Bernardel. Van hem zijn voornamelijk strijkstokken, enkele violen en een cello bekend.
Toen Gustave Bernardel zich in 1901 uit het bedrijf wilde terugtrekken zocht hij de kandidaat voor zijn opvolging binnen de familie. Daarvoor had hij zijn neef Emile Bernardel die al jaren had meegewerkt op het oog. Maar Emile bedankte voor het eervolle verzoek en gaf er de voorkeur aan om voor zichzelf te beginnen. Albert Caressa kreeg nu de opdracht om een andere opvolger voor Gustave Bernardel te zoeken. Aanvankelijk was het Alberts’ plan om de vioolbouwer Paul Serdet, die voldoende middelen en een goede reputatie had voor die functie te vragen, maar Gustave gaf de voorkeur aan Henry Français die al 20 jaar bij de firma werkte en de voorman van het bedrijf was.
Henri Français (1861-1931) stamde af van een oude familie van instrumentenmakers uit Mirecourt, waar hij ook geboren werd. Van de vioolbouwer Jean Auguste Darte (1830-1892) die toen in Mirecourt werkte, leerde hij het vak. Darte was een leerling van Nicolas Vuillaume, had enkele jaren voor Jean Baptiste Vuillaume in Parijs gewerkt, maar was teruggekeerd naar Mirecourt om daar een atelier van Nicolas Vuillaume te leiden. In dat atelier vond Henri Français’ opleiding plaats. In 1880 verhuisde Henri Français naar Parijs, waar hij werd aangenomen bij Gand & Bernardel Frères, de succesvolle vioolbouwers die ‘Luthiers du Conservatoire de Musique’ waren en het prestigieuze bedrijf gezamenlijk leidden. Hij viel daar op door zijn vaardigheden en verwierf een reputatie als restaurateur. Na de dood van Charles Eugène Gand in 1892 werd Henri Français voorgedragen om als voorman de werkplaats te leiden. Henri werkte vanaf 1895 niet alleen voor de firma maar bouwde ook violen onder eigen naam.
Met enkele van zijn eigen instrumenten won Henri Français twee gouden medailles, één op de tentoonstelling van 1897 in Brussel en één op de tentoonstelling van Parijs van 1900. De familie Gand en Bernardel hadden competitie altijd gezien als een eerlijke strijd waardoor het beste vakmanschap gestimuleerd werd; een instelling van hun voorgangers die het bedrijf groot had gemaakt. Toen Gustave Bernardel rond 1900 met pensioen ging, had Henri met zijn prijzen wel laten zien een waardige opvolger van Gustave te zijn.
De overdracht werd in 1901 getekend; ‘Gand & Bernardel’ werd ’Maison Caressa & Français’. In de Franse vioolbouwerstraditie was de naamsverandering heel gebruikelijk maar het zag de nieuwe eigenaren voor drie moeilijkheden geplaatst. Zij moesten de internationale faam van Gand & Bernardel aan zich binden, alle klanten behouden en de kwaliteit van het werk op het bekende hoge niveau blijven uitvoeren. Dat zou alleen maar lukken als zij de functie van Luthier du Conservatoire de Musique, die al hun voorgangers sinds Nicolas Lupot hadden vervuld, over mochten nemen. In 1901 werd het verzoek dat Gustave Bernardel aan de directeur van het Conservatorium deed, vrijwel direct ingewilligd: Caressa en Français werden benoemd tot Luthiers du Conservatoire. Daarmee werden zij er zich des te meer van bewust de opvolgers van Lupot te zijn.
De charismatische Caressa zocht en kreeg veel publiciteit. In 1905 prezen grote musici in het vakblad Musica Mondial de nieuwe eigenaren van het Maison om hun kennis en vakmanschap. Als ondersteuning memoreerde de biograaf van Stradivari, Herbert Goodkind, dat er in de loop van de jaren tientallen Stradivari instrumenten aan hun zorgen werden toevertrouwd, sommige om gerepareerd te worden, voor andere instrumenten moest Caressa een nieuwe eigenaar vinden. Niet alleen van deze, maar van alle instrumenten die ter reparatie aangeboden werden, werd een uitgebreide analyse gemaakt die systematisch werd vastgelegd.
De firma wist goed in te spelen op de enorme populariteit die muziek in die tijd genoot. Zij bouwden niet alleen instrumenten en strijkstokken voor individuele musici, maar ook voor orkesten, conservatoria en muziekverenigingen. In 1913 besloot Caressa om de winkel te verplaatsen van het adres waar de firma sinds 1810 had gezeten naar een nieuwe locatie naast het Parijse Conservatoire de Musique. Zij hadden 15 werknemers in dienst, onder wie Emile Laurent en Emile Boulangeot als vioolbouwers en Victor en Jules Fétique, Claude Thomassin en André Richaume als strijkstokkenmakers.
Nog zeven jaar na de verhuizing leidden Albert Caressa en Henri Français samen het Maison; Albert als kenner van oude meesterinstrumenten en Henri als vakman vioolbouwer. Beiden werden Luthiers de l’Opéra en Experts du Civil Tribunal de la Seine. In 1920 beëindigde Henri Français zijn werk bij de firma en ging Albert Caressa alleen verder tot hij in 1938 het bedrijf overdroeg aan Emile Français, zijn schoonzoon.
De strijkstok die het NMF in de collectie heeft, draagt de brandstempel van Caressa & Français en is gemaakt door een van de grote strijkstokkenmakers van de firma.
Cité de la Musique, Archiv Philharmonie de Paris, bezocht in 2020.
Tarisio; Cozio archief, bezocht in 2020.
Milliot S., 1998, Nicolas Lupot, Ses contemporains et ses successeurs, Paris.
Milliot S., 1994, Vingt ans d’expertise d’un grand luthier parisien: 1870-1891, Les Amis de la Musique, Spa.
Vannes R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel.
Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton.