Doorgaan naar content
bouwer

Antonio Stradivari

*1644 , Cremona      †1737 , Cremona

Ongeveer 95 jaar was Antonio Stradivari toen hij overleed, precies wist niemand het meer, zijn geboorte-akte was niet te vinden of gewoon nooit gemaakt. Hij had meer dan 1100 strijkinstrumenten op zijn naam staan, gitaren, harpen en mandolines niet meegerekend. Zelfs in het jaar van overlijden had hij er nog drie gebouwd. Leerlingen of medewerkers duldde hij niet, alleen zijn drie zonen mochten meewerken. Maar dan slechts voor het ruwe werk en als hij klaar was met een instrument mochten ze het speelklaar maken. En áls ze er dan al een bouwden moest Antonio’s naam erop. Zelf werkte hij ze af met nauwelijks navolgbare precisie. Alleen zijn hand werd na zijn 85e wat minder vast, maar dat deed aan de klank niets af, die was nog steeds als in zijn hoogtijdagen.

Een roemrijke familie van vioolbouwers zoals Amati, Guarneri of Ruggieri had hij niet. Waarschijnlijk was hij als jongen alleen naar Cremona gekomen. Daar kreeg hij kost en inwoning bij een houtsnijder en leerde het vak. De beginselen van de vioolbouw leerde hij vermoedelijk van zijn bijna buurman Nicolò Amati en van diens leerling Francesco Ruggieri, die net buiten de stadsmuur was gaan werken om zijn eigen gang te kunnen gaan. Op eigen kracht klom hij op tot iconisch vioolbouwer.
Werkplaats(en)
Cremona, 1658-1735

De eerste veertien jaar kon hij zijn draai nog niet helemaal vinden. Pas toen hij vlak bij de families Amati en Guarneri een huis had kunnen kopen, hoorde hij voor zijn gevoel bij de groten. Dat zette hem aan tot het bouwen van aan gelijkwaardige instrumenten. Zijn gezinsleven begon turbulent. Hij voorkwam een schandaal door te trouwen met de vrouw wiens vorige echtgenoot door haar eigen broer was doodgeschoten. Met haar kreeg hij vijf en met zijn tweede vrouw zes kinderen.

Doordat hij instrumenten voor de koning van Engeland had mogen bouwen en ook nog eens een vijftal voor Cosimo de Medici, rees zijn ster.

Drie zoons werkten met hem mee. Ieder naar hun aanleg en vermogen. De één na jongste, maar meest getalenteerde stierf op 24 jarige leeftijd nog voor hij goed en wel begonnen was. Antonio liet kort daarop een testament maken. Erg lang dacht hij het niet meer te zullen maken want hij kocht een graf en liet alvast het jaar waarin hij zelf dacht te zullen overlijden in een grafsteen beitelen. Antonio kwam er echter weer bovenop en leefde nog acht jaar. Het waren jaren waarin hij een reeks prachtige instrumenten bouwde. Zelfs in het jaar waarin hij stierf bouwde hij er nog drie.

Na zijn dood liet zijn oudste zoon en executeur testamentair zijn vader begraven zoals hij gewild had, verdeelde de erfenis en ging het rustig aan doen. Na de dood van zijn beide andere broers erfde de jongste Stradivari alles. Dertig jaar bewaarde hij de instrumenten van zijn vader. Daarna verkocht hij alles aan een verzamelaar.

Een vioolbouwer groter in het vak dan Antonio Stradivari was er niet.

Leven en loopbaan

Het was vermoedelijk de pest van 1630 die Alessandro Stradivari en Anna Moroni had gedwongen de stad Cremona te ontvluchten. Net als veel inwoners zochten zij hun toevlucht tot een van de minder druk bevolkte dorpen in de omgeving. Daar kwam Antonio rond 1644 ter wereld. Geen archiefstuk dat dit bevestigt, maar sinds de Hill’s het min of meer zo hebben gereconstrueerd is het algemeen aanvaard. Ook de naam Alessandro is niet helemaal zeker. Hij wordt wel in de huwelijksakte van Antonio Stradivari als de vader genoemd, maar lijkt al enkele jaren voor de geboorte van Antonio overleden te zijn.

Wel zeker is de eerste vermelding in het archief van Cremona van zijn aanwezigheid in de stad. Die dateert van 1665. Antonio Stradivari woonde toen in bij Francesco Pescaroli, een vakman in houtsnij- en inlegwerk afkomstig uit een adellijke familie. Bij hem werkte hij, zo vermoeden historici, als houtsnijder en had volgens de volkstelling van 1667 de status van ‘een inwonend gezinslid’, dat wilde zeggen dat hij recht had op eten en onderdak.

Francesco Pescaroli speelde een belangrijke rol in het leven van de twintigjarige Antonio. Hij was naast beeldhouwer en houtsnijder ook een gewild architect. In die functie had hij connecties in de hoge ambtenarij, de adel en de Pauselijke autoriteiten. Hij trok voor zijn opdrachten door Noord-Italië en liet dan zijn zaak over aan zijn twee medewerkers, Giacomo Bertesi en waarschijnlijk ook Antonio Stradivari. Als plaatsvervanger van de ouders van Antonio, trad hij op 4 juli 1667 op als getuige bij diens huwelijk met Francesca Ferraboschi. Hij bood het echtpaar een huis met winkel en werkplaats aan in St. Agata, de wijk waar de bruid vandaan kwam. Daar, in het Casa Naziale, zoals het te boek stond, woonde en werkte Antonio Stradivari tot 1680.

Aan het Piazza San Domenico, enkele stappen verwijderd van het huis waar Antonio Stradivari inwoonde, zat de werkplaats van Nicolò Amati. Het was een imposant vioolbouwbedrijf dat al generaties lang in de familie was. ‘Amati’ was in heel Europa een begrip. Nicolò Amati deed het belangrijkste zelf, maar het inlegwerk voor zijn beroemde gedecoreerde violen liet hij door ‘marqueteurs’ doen, specialisten in verfijnd inlegwerk. Baruzzi gaat ervan uit dat Antonio Stradivari, die bij Pescaroli een schat aan ervaring op dit gebied had opgedaan, aan Nicolò Amati aanbood om het inlegwerk voor hem te doen.

Terwijl Antonio Stradivari bij Pescaroli als beeldhouwer bleef werken en inlegwerk deed, leerde hij vermoedelijk in zijn vrije tijd bij Nicolò Amati meer over vioolbouw.

Waarschijnlijk was Nicolò Amati wel zijn eerste, maar niet zijn enige leermeester. Ook Francesco Ruggieri, een vroegere leerling van Amati, was dat. Ruggieri had zich losgemaakt van zijn grote voorbeeld en was net buiten de poorten van Cremona een eigen werkplaats begonnen. Daar bouwde hij veel violen op basis van Amati’s ‘Grand Patern’, maar deed dat net wat anders dan Amati. Deze constructie gebruikte Stradivari in zijn eerste violen. Die techniek kwam wel voor bij Ruggieri en niet bij Amati.

Van zijn violen had Antonio tot dan toe nog niet kunnen leven, daar was de concurrentie in Cremona te groot voor. Wellicht kreeg Antonio een paar opdrachten die de andere vioolbouwers lieten liggen, maar in Cremona speelde hij nog maar een marginale rol. Tot Francesco Pescaroli in 1679 stierf, bleef Antonio nog voor hem werken, sneed koppen en ornamenten en deed verfijnd inlegwerk voor de opdrachten die Francesco Pescaroli inmiddels uit heel Noord-ItaIië kreeg.

De eerste viool die van Antonio Stradivari bekend is, dateert uit 1666. Daarin schrijft hij een leerling van Amati te zijn geweest (Alumnus Nicolii Amati). De viool waarin dit etiket zit lijkt echter helemaal niet op een Amati, maar heeft veel meer weg van Ruggieri. Nicolò Amati was in het hiërarchisch georganiseerde Cremona oppermachtig en stond concurrentie met zijn succesvolle viool- en cellomodellen vermoedelijk niet toe aan anderen.

Stradivari’s gezinsleven begon turbulent. Hij kende Francesca Ferrabosci als echtgenote van Giovanni Giacomo Capra, een goede vriend van zijn werkgever Francesco Pescaroli. Om onduidelijke reden schoot Francesca’s broer haar echtgenoot Giovanni in 1665 dood. De dader vluchtte en dook onder. Francesca was op dat moment vier maanden zwanger. Aangenomen wordt dat Antonio de vader was. De wet bepaalde dat zij alleen voor haar kind mocht zorgen als er iemand borg voor haar stond. Tijdens de rechtszaak die in 1665 speelde, en waar ook over de terugkeer van haar gevluchte broer geoordeeld moest worden, stelde Antonio Stradivari voor om geschillen op te lossen èn om met Francesca te trouwen. Haar twee kinderen uit het huwelijk met Capra werden toegewezen aan haar schoonvader. Francesca mocht haar derde kind grootbrengen in het huis van Antonio Stradivari.

Dat Stradivari inmiddels al de bescherming van de hogere kringen genoot blijkt uit het feit dat een senator uit Milaan en twee vooraanstaande families in Cremona garant wilden staan voor dit arrangement. Antonio Stradivari kreeg van Francesco Pescaroli een huis met winkel in de wijk San Agatha, waarmee hij in het levensonderhoud van de zwangere Francesca zou kunnen voorzien. Maar na de geboorte van Francesca’s dochter duurden de formaliteiten nog bijna twee jaar voordat Antonio Stradivari en Francesca Ferraboschi in 1667 konden trouwen. Hun dochter werd al in december 1665 geboren, gevolgd door nog vijf kinderen: in 1670, Francesco in 1671, 1674 en 1677. Als laatste werd in 1679 zijn zoon Omobono geboren. Alleen de drie zonen werkten later met Antiono mee.

Veel heeft Stradivari in de veertien jaren na zijn eerste viool niet gebouwd. Er zijn maar zestien instrumenten van hem bekend uit de periode 1666-1680, onvoldoende om zijn gezin van te kunnen onderhouden. Cremona had door de pest en de economische malaise veel van zijn veerkracht verloren. Het aantal inwoners was gedaald van 40.000 tot 10.000. Bovendien waren de Duitse en Franse gebieden waar violen gebouwd werden veel succesvoller geworden dan Cremona. De meeste musici waren vertrokken naar Venetië, Ferrara, Mantua of Brescia waar een veel actiever cultureel klimaat heerste. Er waren nog maar een paar vioolbouwers in Cremona overgebleven die, net als Guarneri, Ruggieri en Amati van hun werk konden leven. Tot 1679 zag Antonio Stradivari zich genoodzaakt om zijn inkomen als vioolbouwer aan te vullen met werkzaamheden voor Francesco Pescaroli.

In 1679 bouwde Antonio Stradivari een rijk gedecoreerde viool, een statement waarin hij zijn vakmanschap als marqueteur combineerde met die van vioolbouwer. Het model was forser en markanter dan de voorgaande. Sir Samuel Hellier, muziekkenner en verzamelaar van strijkinstrumenten, was vaak in Italië op zoek naar uitbreiding van zijn collectie. Hellier kocht twee violen van Stradivari en liet dat aan anderen weten. Dat betekende een versnelling van diens loopbaan. De viool uit 1679 kocht hij ook, maar pas veel later. De priester Arisi die Stradivari goed kende, schreef: “..hij (Stradivari) is ongeëvenaard in het maken van geornamenteerde instrumenten, ze zijn vaak voorzien van kleine figuren, bloemen, arabesken en ornamenten, gracieus ingelegd met ivoor en ebbenhout; een waar eerbetoon aan de opdrachtgever”. ‘De Hellier’ was daar één van.

Overal in Europa veranderde geleidelijk aan de muziekstijl. Componisten schreven muziek waarin violen en cello’s een meer prominente rol gingen spelen. Naast de bestaande kerkmuziek kwam profane muziek sterk in opkomst met daarin vaak ingewikkelde partijen. De nieuwe technische eisen die dat met zich meebracht, vereisten een ander type instrument. De violen en cello’s van Antonio Stradivari waren daar meer geschikt voor dan die van ander bouwers. Tegen 1680 genoot Stradivari niet alleen bij musici, maar ook bij rijke verzamelaars een goede naam.

De Italiaanse componist en virtuoze violist Arcangelo Corelli was in die tijd mateloos populair. Zelfs in Londen werd zijn muziek veel uitgevoerd. Koning Jacobus II liet naar instrumenten zoeken om Corelli’s muziek beter tot z’n recht te laten komen. Stradivari ontving het koninklijke verzoek om enkele instrumenten aan hem te leveren. Hierna steeg het aantal opdrachten. In 1690 liet markies Bartolomeo Ariberti een brief bij Stradivari bezorgen waarin hij hem, voorzien van een hele reeks details, de opdracht verleende om twee violen en een cello te bouwen. Ze bleken niet voor hemzelf maar voor Cosimo III de Medici bestemd te zijn die toen groothertog van Toscane was. De muziekminnende vorst was onder de indruk en bestelde per omgaande twee altviolen om het quintet compleet te maken. Het waren opdrachten geweest 'die zonder enige twijfel hebben bijgedragen tot de brede erkenning van Stradivari’s vakmanschap.

Kort na de dood van Pescatoli in 1679, eisten zijn erfgenamen het Casa Naziale op. Na het huis dertien jaar gehuurd te hebben, moest Antonio Stradivari en zijn gezin de woning verlaten. Op de Piazza San Domenico, vrijwel naast Amati en Guarneri, kocht hij in 1680 een eigen huis. Het was groter, had een verdieping méér en niet onbelangrijk, op de ruime binnenplaats zat zijn eigen waterput. Van de koopsom die 7000 lire bedroeg, deed hij 2000 lire als aanbetaling. Het resterende bedrag mocht hij in termijnen voldoen. Bij Nicolò Amati had Antonio gezien hoe een groot bedrijf geleid moest worden, Pescatoli had hem geleerd om met de welgestelden om te gaan. Vier jaar later had hij zijn huis al afbetaald.

Met Francesca beleefde Antonio gelukkige jaren. Zijn roem steeg tot ver in Europa en zijn inkomen steeg navenant. Nu hij een gevestigd bouwer was en zijn dochter Giulia een goede bruidsschat kon meegeven, zocht hij voor haar een levensgezel. Een die bij voorkeur de zaak zou kunnen versterken. Het werd Giovanni Farina. Een Cremonese notaris die later bijna alle akten voor Stradivari zou opmaken. Na het huwelijk in 1688 trad hij vaak als juridisch vertegenwoordiger van de familie op.

In 1698 werd Francesca ziek. Er werd een meisje in dienst genomen om haar te verzorgen, maar Francesca stierf in mei van dat jaar al. Antonio spaarde kosten nog moeite voor wat Hill ‘de meest spraakmakende begrafenis van zijn tijd’ noemde. Klokken in de hele stad luidden een uur lang en uit drie verschillende parochies waren er 67 priesters om de begrafenisdienst te houden. Enig vertoon van zijn welvaart kan Antonio niet ontzegd worden. Hij organiseerde haar begrafenis groter en indrukwekkender dan die van de kort ervoor overleden Guarneri of die van Ruggieri die een paar maanden later plaats vond.

Een paar maanden na de dood van Francesca vond hij een nieuwe levensgezellin. Het was Antonia Zambelli Costa, dochter van een plaatselijke handelaar die gezien de bescheiden bruidsschat die hij haar mee kon geven niet erg vermogend was. Wel was zij twintig jaar jonger dan Antonio. De afwikkeling van de formaliteiten rondom de dood van Francesca duurde nog maanden waardoor Antonia pas eind 1700 bij Stradivari in kon trekken. Met haar zou hij tussen 1701 en 1708 nog vijf kinderen krijgen; drie zonen en twee dochters. Hun eerste zoon, Giovanni Battista Giuseppe, stierf kort na zijn geboorte, de tweede, Giovanni Battista Martino die twee jaar later geboren werd zou getalenteerd blijken te zijn; Giuseppe Antonio uit 1704, werd priester en de vierde, Paolo, werd lakenhandelaar. Hun beide dochters Francesca Maria en Catherina bleven ongetrouwd. Deze vijf kinderen waren allemaal jonger dan Stradivari's kleinkinderen die in de jaren ’90 waren geboren uit zijn dochter Giulia Stradivari en haar man Giovanni Farina.

In Cremona waren er na de opkomende concurrentie van binnen en buiten Italië nog maar een paar vioolbouwers in Cremona overgebleven. De rest was ermee opgehouden of vertrokken. Alleen Nicolò Amati speelde nog een rol van betekenis. Hij had een niveau van werken bereikt dat in zijn tijd nauwelijks geëvenaard werd. Maar Nicolò Amati was al op leeftijd en bleef vasthouden aan zijn vertrouwde modellen. Vermogende klanten die eerst hun instrumenten door hem lieten bouwen gingen liever naar Antonio Stradivari. Rond 1680 ontstonden daardoor de eerste financiële problemen bij de familie Amati. Nicolò stierf In 1684. Zijn zoon zette het bedrijf nog wel voort maar bereikte dezelfde hoogte als zijn vader bij lange na niet. Daarna kwam de weg voor Antonio Stradivari vrij om de positie van Amati over te nemen.

Zijn drie zonen, Francesco de oudste die Antonio zelf zijn meest toegewijde zoon noemde en Giovanni Battista Martino leidde Antonio zelf op. Zij deden aanvankelijk het voorbereidende, ruwe werk waarna Antonio de instrumenten afbouwde. Pas rond 1700 stond hij zijn twee zonen geleidelijk toe om instrumenten helemaal zelf te bouwen. Nog niet onder hun eigen naam, maar onder die van Antonio.

De derde zoon, Omobono werkte ook voor Antonio. Vermoedelijk nog niet als vioolbouwer, maar hij droeg zijn steentje bij aan de steeds groeiende organisatie van zijn vaders bedrijf. In 1696 vertrok Omobono voor een reis van enkele jaren door Zuid-Italië. Een reis die door Antonio betaald werd. Dilworth is van mening dat het niet alleen een reis was van een zoon die zich los wilde maken van zijn vader, maar hij zag het vooral als een ‘Grande Tour’, een leerreis die voor vader en zoon bedoeld was als een investering in de toekomst. Met de kennis en ervaring opgedaan tijdens zijn tocht zou hij zijn vader beter voorbereid kunnen helpen bij de belangrijke rol die Antonio Stradivari voor zichzelf had weggelegd. Het liep anders. Omobono arriveerde rond 1697 in Napels en bleef daar zeer tegen de zin van Antonio langere tijd hangen.

Pas twee en een half jaar later keerde Omobono naar Cremona terug, te laat voor de begrafenis van zijn moeder. Zij was een paar maanden voor zijn terugkomst gestorven. De moeilijke verstandhouding tussen Omobono en zijn vader leek enkele jaren later weer enigszins bijgelegd. Omobono werd actief en nam vol zelfvertrouwen een belangrijke maatschappelijke rol in Cremona in. Hij ging in het bestuur van tenminste vijf liefdadigheidsverenigingen zitten en werd gekozen tot voorzitter van de zesde, die van de parochie San Barbara. Omobono bleef betrokken bij de zakelijke kant van zijn vaders bedrijf. Hoewel Antonio niet direct trots op hem leek te zijn, werd Omobono na verloop van tijd in Cremona als een belangrijk man beschouwd. Zijn handtekening als getuige komt op een groot aantal documenten voor. Ook trad hij regelmatig op als bemiddelaar bij allerlei conflicten in de stad.

De binnenplaats op de piazza San Domenico was zeker vanaf 1690 vol leven geweest. Stradivari en zijn zonen bouwden in hoog tempo hun instrumenten en daar hoorden ook allerlei accessoires bij. Er moesten strijkstokken geschaafd, snaren gedraaid en stemknoppen en staartstukken gemaakt worden. Leveranciers daarvan waren er nog niet. Ook vioolkoffers werden in de werkplaats zelf gemaakt. In Cremona was het gebruikelijk om dat door plaatselijke jongens te laten doen. Op het dakterras hingen violen in de zon hun bruine verkleuring te krijgen en daar hingen ook de vers gelakte instrumenten te drogen. Naarmate Stradivari meer succes kreeg, groeide de bedrijvigheid in en om de werkplaats, maar assistenten die hem konden helpen bij de vioolbouw wilde hij onder geen beding. Alleen Francesco en Omobono mochten dat en dan alleen nog voornamelijk om het voorbereidende werk te doen.

Dat veranderde vermoedelijk rond 1700. Antonio had toen twee van zijn zonen opgeleid. Francesco, zijn meest toegewijde zoon uit zijn eerste huwelijk. Ook Omobono, geboren in 1679 werkte voor hem, maar vermoedelijk nog niet als vioolbouwer. De Hill’s vermoeden dat hij inkocht en zaken rondom het ingewikkeld geworden bedrijf van zijn vader organiseerde. Zo reisde hij voor zijn vader in 1728 nog naar Castell’arquato in Piacenza en naar Modena in 1731. Uit notariële akten blijkt dat hij, als dat nodig was, ook achterstallige betalingen voor zijn vader inde.

Aan de opleiding van zijn zoon Giovanni Battista Marino begon Antonio vermoedelijk al rond zijn twaalfde. John Dilworth is van mening dat de bijna 14 jarige Giovanni in 1716 een viool bouwde die geen beginnerswerk meer was, maar een iconische viool die later ‘de Messiah’ genoemd zou worden. Giovanni Battista Marino was, naar Dilworth’ opinie, actief in de werkplaats tussen 1714 en 1727 en kan daarom heel goed betrokken zijn geweest bij de bouw van enkele van Stradivari's grootste instrumenten.

Zowel Omobono als Francesco bouwden soms voor zichzelf. De invloed van hun vader was echter zo sterk dat de hand van alledrie zijn zonen vóór ongeveer 1720 nagenoeg onzichtbaar was. Daarna verschenen er maar een handvol instrumenten van Francesco onder de vermelding van ‘sotto la disciplina Antonio Stradivari’. Die etiketten zijn later bijna allemaal verwijderd om het instrument toe te kunnen schrijven aan Antonio. Die brachten zo een veelvoud op. Van Francesco bestaat er één instrument dat aan die praktijken ontkomen is en zelfs in veel opzichten als een waardig Stradivari instrument wordt gezien. Dat is de ’Salabue’, genoemd naar graaf Cozio di Salabue die het in 1775 kocht.

Omobono maakte er meer onder eigen naam. Van hem zijn er zo’n vijftien bekend; de meeste dateren uit 1724 en later. Drie ervan dragen het etiket van Omobono, ‘Omobonus Stradivarius Filius Antonij / Cremone Fecit Anno 1740. De twaalf andere instrumenten waren onevenwichtig en van inferieur hout gemaakt, geen instrumenten die Antonio Stradivari’s goedkeuring konden wegdragen.

Tot 1727 waren negen van de tien kinderen van Antonio gezond gebleven, een zeldzaamheid in die tijd. Aan het eind van dat jaar werd Antonio’s veelbelovende zoon Giovanni Battista Marino echter ziek en stierf korte tijd later. Zijn ‘Messiah’ koesterde Antonio. Hij bewaarde de viool in de staat zoals Giovanni hem gebouwd had tot aan zijn dood.

In 1729 voelde Antonio zijn krachten afnemen. Hij liet als opmaat voor zijn eigen begrafenis drie verschillende versies van een testament na elkaar maken. Hij kocht zelfs een graf en was er zo van overtuigd snel te zullen overlijden dat hij alvast het jaartal 1729 in een grafsteen liet beitelen. De akte stelde hij zelf op. Milder was hij er in de laatste jaren van zijn leven niet op geworden. Francesco, die hij een gehoorzame en volgzame zoon noemde, benoemde hij als opvolger. Die kreeg de werkplaats, de inventaris, de voorraad instrumenten en alles uit de kamers waarin Antonio 'nu slaapt en zich bevindt'.

Omobono’s onfortuinlijke reis bleek Antonio dertig jaar later nog steeds dwars te zitten. Uit de eerste versie van het testament lijkt het erop dat de reis helemaal niet aan zijn vaders verwachtingen had voldaan. Antonio bracht alle kosten die hij aan Omobono’s tocht had uitgegeven in mindering op zijn erfdeel en dat stuk van zijn testament formuleerde hij bovendien in weinig vleiende bewoordingen. In de tweede versie van enkele maanden na het eerste mocht Omobono nog wel wat gereedschappen uit de werkplaats uitzoeken, maar tussen de tweede en definitieve versie van het testament was de relatie tussen vader en zoon er kennelijk niet beter op geworden, want Antonio ontnam hem zelfs het recht op de gereedschappen. Een paar huishoudelijke spullen mocht hij wel uitkiezen.

Voor al zijn andere kinderen legde Antonio Stradivari een bescheiden jaarlijkse toelage vast. Hij schreef zijn wil in ferme, patriarchale bewoordingen die niet helemaal strookten met de zwakte die hij dacht te voelen. Antonio overleed dat jaar echter niet, maar krabbelde weer op. De instrumenten die hij daarna nog bouwde zijn krachtig en doen niet veel onder voor die uit zijn hoogtijdagen. Hij was er trots op: met de hand schreef hij op het etiket: 'gemaakt in de jaren 90 van mijn leven; 'd'anni 90'.

Zijn andere nakomelingen ontvingen het grootste deel van de erfenis in de vorm van violen. Voor ieder instrument had hij een bedrag vastgesteld, gemiddeld en naar de huidige maatstaven omgerekend zo’n 1000 euro. Veruit het grootste erfdeel had hij al voor zijn dood aan zijn jongste zoon Paolo betaald. Met eveneens omgerekend naar huidige maatstaven 120.000 euro kocht hij hem in als mede eigenaar van een Cremonese lakenhandel. De jaarlijks toelage van de anderen bedroeg ongeveer 2000 euro per jaar.

Antonio Stradivari stierf niet in 1729, maar acht jaar later, in december 1737. In januari van dat jaar had hij nog getekend voor de overdracht van de bruidsschat die zijn aanstaande schoondochter Elena Templari bij het huwelijk met zijn zoon Paolo meebracht en in dat zelfde jaar bouwde hij eigenhandig nog drie violen. Kort na de bruiloft van Paolo stierf Antonia, zijn tweede vrouw. Antonio liet haar in de tombe die hij in 1729 had gekocht bijzetten. Een even indrukwekkende ceremonie als bij Francesca werd het niet. Antonio was al 93, ziek en stierf in december van dat jaar.

Aan Francesco had hij de hele zaak nagelaten en hem tot executeur testamentair benoemd. Francesco liet de mis bij de begrafenis van zijn vader precies uitvoeren zoals Antonio had gewild en hem bijzetten in de tombe van de kleine kapel waar ook Antonio’s tweede vrouw lag, in een hoek van de San Domenico kerk, recht tegenover hun huis. Bij gebrek aan een geboorteakte noteerde de kerkelijke archivaris dat Antonio Stradivari, weduwnaar, op ongeveer 95 jarige leeftijd overleden was. Ook de andere wilsbeschikkingen van zijn vader voerde Francesco nauwgezet uit; hij liet nog zes missen ter zijner nagedachtenis houden en zorgde ervoor dat zijn beide zussen en de twee overgebleven broers hun erfdeel kregen. Zelf ging hij het rustig aan doen. Francesco was niet meer het hulpje van zijn vader maar eigenaar van een bloeiend bedrijf. Lang duurde die bloeitijd niet meer. Hij bouwde nog maar enkele violen na zijn vaders dood. Francesco was een rijk man geworden, maar miste zijn vaders ambitie.

Omobono overleed in 1742 en Francesco een jaar later: Paolo, Antonio’s jongste zoon erfde alles. De meeste van de bijna honderd achtergebleven instrumenten uit de Stradivari werkplaats waren alleen nog niet bespeelbaar. Paolo bood Carlo Bergonzi die Antonio met de bouw van enkele instrumenten had geholpen hun oude huis met werkplaats aan, maar verbond daar de voorwaarde aan dat Carlo alle instrumenten van zijn vader af zou bouwen. Zelf vertrok hij uit Cremona.

Nadat Bergonzi het werk had voltooid, liet Paolo de instrumenten nog zo’n dertig jaar onaangeroerd. Ze vertegenwoordigden een klein vermogen maar Paolo deed geen moeite de instrumenten te verkopen. Pas in 1775 bleek er toch belangstelling voor de instrumenten te zijn. Die kwam van de grote verzamelaar en kenner van de Italiaanse vioolbouw, graaf Cozio de Salabue. Cozio had zijn zinnen gezet op de instrumenten van Antonio Stradivari en deed in dat jaar een eerste poging om de hele verzameling in één keer van Paolo te kopen. De onderhandelingen namen enkele maanden in beslag waarna alle instrumenten uiteindelijk naar de verzamelaar gingen. De Messiah, de viool die Giovanni gebouwd had, zat daar daar ook bij; onbespeeld en onbeschadigd. De Salabue wist heel goed wat voor een schat hij verworven had. Een jaar lang bestookte hij Paolo met verzoeken om hem ook de tekeningen en gereedschappen te verkopen. In 1776 kreeg hij ook die in handen. In de laatste brief aan de Salabue schrijft Paolo: ‘het is mijn wens om u kenbaar te maken dat ik u van dienst zal zijn opdat niets van mijn vader in Cremona achter zal blijven’. Een weinig vleiende zinsnede van een zoon die zijn enorme rijkdom aan zijn vader te danken had.

Werk en invloed van Antonio Stradivari

De vroegst bekende viool van Antonio Stradivari dateert van 1666. Toen hij die bouwde was hij 22 jaar oud. Voor die tijd een leeftijd waarop iemand al lang en breed aan een loopbaan was begonnen. Naar Goodkinds mening had Stradivari tot 1680 zijn draai echter nog niet gevonden. Hij bouwde in die veertien jaar bij elkaar niet veel meer dan 19 violen, cello’s en altviolen van een zeer wisselend niveau. De Hellier uit 1679, het jaar waarin Omobono werd geboren, was voortreffelijk maar veel andere waren nog lang niet van het niveau dat hij later zou bereiken. Vermoedelijk bouwde hij in die tijd meer gitaren, luiten, mandola’s, viols, viola d’amores en ook harpen. Zijn instrumenten uit die tijd hebben nog lang een type randinleg, omtrek en welving van Amati, alleen zijn Antonio’s krullen ronder en krachtiger dan die van Amati. Hij had al een prachtige lak ontwikkeld die de tekening van het hout goed tot zijn recht laat komen.

Dat veranderde na zijn verhuizing in 1680 naar de piazza St Dominico. Hij richtte zijn werkplaats opnieuw in, had meer ruimte tot zijn beschikking en bouwde zijn eerste cello. Maar dat niet alleen. Hij had zich maatschappelijk opgewerkt en zat enkele stappen verwijderd van de grote vioolbouwers Amati en Guarneri die al generaties lang de vioolbouw domineerden. Hij hoorde erbij! De Paganini-viool is van dat jaar. Waren alle andere instrumenten van vóór die tijd los gebaseerd op het model van Amati, in 1683 maakte hij zich daar los van. Ze werden forser, meer robuust en hadden een andere omtreklijn. Daar produceert hij er ineens 13 van en in de daaropvolgende jaren stijgt dat aantal verder. Ze zijn allemaal van een zelfverzekerde pracht, die hoort bij iemand die zijn vak inmiddels tot in de perfectie onder de knie heeft.

Dat was dan ook het punt waarop hij verder durfde experimenteren. Alle lijnen van de randinleg en de f-gaten uit die tijd zijn zeldzaam zorgvuldig gesneden. De behoefte aan een instrument met een grote toon kwam van een nieuwe generatie componisten en violisten die muziek schreven waar de viool een prominente rol ging spelen. Maar dat niet alleen, zij stelden duidelijk andere eisen aan een viool dan toen die nog gebruikt werd om zang en dans te begeleiden. Arcangelo Corelli bracht die verandering onder woorden. Hij hield zijn leerlingen voor dat “de vaardigheid om het hart te raken de toetssteen was waaraan men een waar en groot violist herkent”. Stradivari moest instrumenten gaan bouwen die de combinatie van virtuositeit en gevoelig spel mogelijk maakte.

Hij veranderde twee belangrijke dingen: zijn viool werd 12 mm langer dan het traditionele model en hij verlaagde de welving van het bovenblad. En om te voorkomen dat het blad minder flexibel werd, paste hij de dikte van het hout aan met als gevolg dat de klank dieper en voller werd. Deze ontwikkeling viel samen met die van Maggini en Gaspar da Salò uit Brescia die al eerder bekend stonden om hun instrumenten met een krachtig donker geluid. Stradivari koos in deze periode ook voor mooi gevlamd hout dat hij afwerkte met een nieuw type lak: intens rood met een gouden ondergrond.

Tussen 1689 en 1703 had Stradivari veel geëxperimenteerd. Er zijn 22 verschillende mallen bekend waaromheen hij zijn instrumenten bouwde. Van die 22 zijn er 16 nauwkeurig door Nicolas Sackman onderzocht. De mallen waren niet alleen voor violen, cello’s, altviolen maar ook voor viola’s da gamba, viola’s d’amore, contra altviolen en tenor altviolen. Vrijwel allemaal voorzag hij ze van een letter en op het merendeel zette hij ook een datum waarop hij ze voor het eerst gebruikte. Daaruit blijkt dat hij pas in 1689 aan de reeks begon en in 1709 de laatste maakte.

Het lijkt erop dat hij daarna tevreden was met wat hij had ontwikkeld en met de strijkinstrumenten die hij in de achtentwintig jaar die hij daarna nog leefde voornamelijk om de mallen uit die periode bouwde. Dat zou kunnen verklaren waarom zijn productie omhoog ging; hij hoefde weinig nieuws meer te bedenken. Hij introduceerde nog wel lange hoekpunten wat zijn werk eleganter maakte, maar wezenlijke veranderingen waren het niet meer. Vanaf dat jaar kon hij zich concentreren op de grote vraag naar zijn instrumenten. In 1703 bouwde hij 18 instrumenten en in 1709 zelfs 24. Dat was het begin van zijn glorietijd. Die duurde tot 1722. Antonio Stradivari was toen 78 jaar oud.

Daarna nam de nauwgezetheid in zijn werk geleidelijk af; hij liet sporen van gereedschap staan en gebruikte net iets minder goede materialen. Pas in de laatste jaren ging de vastheid van zijn hand achteruit, maar dat deed aan de klank niets af; die bleef voortreffelijk.

Stradivari bouwde zo’n 1100 strijkinstrumenten, waarvan er ongeveer 600 overgebleven zijn. Hij zette de standaard waar eeuwenlang strijkinstrumenten aan getoetst werden en nog steeds worden.

Bronnen

  • Goodkind, H. K., 1972, Iconography of Antonio Stradivari, 1644-1737: Treatises on the Life and Work of the Patriarch of the Violinmakers. New York.

  • Hill, William Henry, Arthur Frederick Hill, and Alfred Ebsworth Hill., 1902, Antonio Stradivari: His Life and Work, 1644-1737, New York.

  • Sacconi, S. F., 1979, The Secrets of Stradivari: Cremona: Vannes, R., Lebet C., 1981, Dictionnaire universel des luthiers.

  • Powers, W., 2000, “Violin Makers: Nicolò Amati (1596–1684) and Antonio Stradivari (1644–1737).” In Heilbrunn Timeline of Art History. New York.

  • Hamma, W., 1964, Meister italienischer Geigenbaukunst. rev. ed. New York.

  • Henley, W., 1997, Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. 1956-60. England.

  • Pollens S., 2010, Stradivari, Cambridge.

  • Hargrave R., 2009, The Amati Method, Three articles about the Amati family.

  • "From the Archive: a violin by Nicolò Amati, Cremona, 1660-70”, The Strad, 2018.

  • Kass P. J. The Stati D'Anime of S. Faustino in Cremona: Tracing the Amati Family 1641-1686.

  • Santoro E, 1981, Antonio Stradivari, Cremona.

  • Marubbi M, Giacomo Bertesi, 2010 in Atti convegno di studi Soresina, Cremona.

  • Archieven van Cremona, bezocht in 2021.

  • Tarisio; the Cozio archives, John Dilworth, Stradivari and his sons, bezocht in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
15 september 2021