vioolstrijkstok
Marta Madara Papane
*1881 , Mirecourt †1924 , Parijs


Mirecourt was rond de geboorte van André, al hét centrum waar de meeste Franse vioolbouwers en stokkenmakers vandaan kwamen of hun opleiding volgden. Charles Nicolas Bazin was onder de stokkenmakers veruit de belangrijkste in Mirecourt. Zijn werkplaats was een broedplaats waar grote stokkenmakers als Jules en Victor Fétique, Émile Auguste Ouchard, Louis Piernot en Claude Auguste Thomassin hun vak leerden. Zij maakten hun stokken veelal naar het model van Voirin.
André’s vader had een andere achtergrond. Hij was opgeleid door zijn schoonvader, een minder bekende, maar niet minder groot vakman onder de stokkenmakers: Charles Claude Husson. Deze stokkenmaker was erg geïnspireerd door de familie Peccatte van wie het werk robuust en puur was.
Alleen erg goede vaklui met een ondernemende geest overleefden de concurrentie met grote fabrikanten in Mirecourt die duizenden instrumenten en stokken per jaar maakten. In 1880 ging André’s vader na het faillissement van de Union niet bij Thibouville-Lamy aan het werk, zoals veel van zijn oud-coöperatiegenoten deden, maar hij ging naar Parijs.
De verhuizing naar Parijs vond plaats in 1881. Joseph kon beginnen in het atelier van Eugène Gand en Gustave Bernardel, twee bouwers die samen in korte tijd een van de belangrijkste firma’s in Parijs zouden gaan leiden. Hun bekendheid dankten ze niet alleen aan de goede instrumenten en strijkstokken die in hun atelier werden gemaakt, maar zeker ook aan het grote aantal voortreffelijke viool-en strijkstokkenmakers dat er werkte en daar hun opleiding kreeg. Die begonnen hun loopbaan vaak in het atelier en leverden later hun strijkstokken aan de firma, vaak zonder in dienst te zijn. Op alle strijkstokken die de firma verkocht stond de brandstempel van Gand et Bernardel Frères, ongeacht wie de stok gemaakt had.
Twee jaar nadat Joseph Vigneron bij hen was begonnen, kreeg de firma van de Franse regering de opdracht om alle instrumenten inclusief de bijbehorende strijkstokken voor het orkest van Palais de Trocadero te bouwen. Zeven jaar bleef Joseph Vigneron bij deze firma werken voor hij voor zichzelf begon. Wat hij bij Gand et Bernardel had geleerd, kon hij als zelfstandig ondernemer in de praktijk brengen. En doorgeven aan André.
Joseph Arthur Vigneron, jaren 1890
In 1888 opende André’s vader in Parijs een zaak in de Rue de Cléry op nr. 54, midden in het centrum van de stad. Hij leidde André in hun eigen werkplaats op en André werd dan ook in de eerste jaren zijn enige medewerker. De samenwerking tussen vader en zoon werd in de loop van de jaren steeds hechter. Vanaf de laatste jaren voor de eeuwwisseling was die zodanig dat er tussen de strijkstokken van Joseph en André nauwelijks verschil te zien is. André’s vader stond bekend om de snelheid waarmee hij een strijkstok kon maken. Joseph Vigneron maakte in een werkweek van zes dagen, zes stokken.
De samenwerking veranderde enigszins toen André en zijn vader verschil van mening kregen over de toekomst van hun werk. De stokken die Joseph Vigneron in zijn laatste jaren maakte, misten wat raffinement. Aan het meer decoratieve zoals schildpad en ivoor wilde hij niet; de functionaliteit stond bij hem altijd voorop. Waar père door wilde gaan met het maken van sobere stokken, wilde André verfijnder gaan werken en zich meer naar de smaak van die tijd richten. Ondanks de verschillen van mening bleven vader en zoon hun stokken met dezelfde stempel branden: Vigneron à Paris. Naast André, kwam Marie Louis Piernot van 1900 tot 1905 bij hen werken. Piernot was een uitstekende stokkenmaker, opgeleid door Charles Nicolas Bazin.
Voorbeeld van een 'Parisian eye'
André trouwde in 1903 en kreeg de zorg voor een dochter. Zijn vader overleed al twee jaar later, in 1905 niet ver van Parijs. Louis Piernot vertrok en André Vigneron verhuisde zijn firma naar de Rue de Rome nr 70, het ‘mecca’ van de Parijse vioolbouwers. Gedurende deze periode veranderde hij de vorm van de kop en zette hij een Parisian eye in de slof, een ring van zilver of goud rond het paarlemoeren centrum. Hij bleef zijn vaders stempel gebruikten tot 1910, waarna hij een nieuwe liet maken: André Vigneron à Paris, en begon zijn beste stokken te nummeren.
In de periode tussen 1914 en 1920 is er niets over hem bekend. Waarschijnlijk werd hij opgeroepen als soldaat en raakte gewond in het loopgravengeweld van WOI.
Pas rond 1920 zette André Vigneron zijn werk weer voort. Een jaar later nam hij Mars Auguste Husson in dienst. Deze strijkstokkenmaker had het vak bij Charles Nicolas Bazin geleerd maar ook voor Thibouville-Lamy goede stokken gemaakt. Hij kende dan ook zowel het verfijnde, als het productie werk. Later kwam Louis Piernot opnieuw bij André Vigneron in dienst. Met hen samen bouwde hij in korte tijd een groot aantal uitstekende stokken.
André Vignerons werk werd al direct na 1920 door musici erg gewaardeerd en hij kon zich dure materialen veroorloven
André Vigneron had een catalogus waarin hij zijn strijkstokken voor de musici toonde, maar hij maakte ze ook voor anderen, zoals voor L. Bernardel, E. Marchand en E. Courviser. Samen met de virtuoze violist en professor aan het Parijse conservatorium, Lucien Capet, ontwikkelde André Vigneron een stok die iets langer was dan gebruikelijk en hij zou daar tussen 1912 en 1915 nog meer van maken. Het model stond in zijn catalogus vermeld onder de naam van de opdrachtgever: modèle Capet.
Het was de tweede poging om met Capet een stok te maken. Al eerder had zijn vader samen met hem een stok ontwikkeld, bijna driekantig van doorsnede en sterk gebogen, maar dat was geen succes geworden. Louis Piernot had het model overgenomen, maar ook hij slaagde er niet in de stok populariteit te geven. Deze tweede stok werd beter verkocht, maar veel maakte hij er niet van. Wel sloeg het model aan bij contrabassisten en nog steeds wordt deze vorm daar soms voor gebuikt.
Detail van strijkstok A. Vigneron met slof van schildpad. Foto met dank aan Benning Violins.
André Vignerons werk werd al direct na 1920 door musici erg gewaardeerd en hij kon zich dure materialen veroorloven. Zo maakte hij in zijn laatste jaren ook stokken met een gouden montuur en sloffen van schildpad.
Na zijn terugkeer in 1920 leefde hij nog maar vier jaar. André Vigneron overleed in 1924 op 43-jarige leeftijd in Parijs.
‘Whenever we take up a Vigneron bow, an involuntary exclamation of pleasure rises to our lips,’ schreef William Henley’ ietwat pathetisch.
Hij vond vader en zoon Vigneron behoren tot een kleine groep Franse strijkstokkenmakers, die het zeldzame talent hadden om hun stokken een voor een uitzonderlijk goed speelbaar te maken.
De stokken van André Vigneron zijn meestal rond en gemaakt van een roodbruine tot donkerbruine kleur pernambuco hout. Het model was tot aan de dood van zijn vader gebaseerd op wat deze al bij Gand & Bernardel had ontwikkeld. De periode die volgde was er een waarin de Parijse school van Vuillaume weer terug te vinden is in zijn werk. Vanaf ongeveer 1912 verfijnde hij zijn werk. De koppen werden kleiner, de sloffen iets ronder en de eindknop veranderde daar in verhouding mee.
D-model van Vigneron. Dwarsdoorsnede ter hoogte van de kop (li.) en de omwikkeling (re). Afbeelding met dank aan Hamilton Caswell, Bowspeed
André gebruikte drie stempels: één van zijn vader, ‘André Vigneron à Paris’ en ‘Vigneron Paris’. Ook in de korte periode na 1920 gebruikte hij soms de eerste stempel van zijn vader weer.
De invloed van Vigneron op latere strijkstokkenmakers is groot. Er is nog steeds vraag naar contrabasstokken die gebaseerd zijn op basis van het Vigneron ‘D-model’ (zie illustratie).
Millant B., Raffin J.F., 2000, l`Archet: les archetiers Français 1750-1950. Parijs
Vatelot E.,1976, Les Archets Français, Nancy
Milliot S. en Perrin N. 2017, Journée Européenne de la Lutherie. Parijs
Thöne J, 2008, Italian & French Violin Makers, Dubai
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2007, Italian & French Violin Makers, Keulen
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa
Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London
Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris
Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2025
Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2025